Arjan Peters over necrologie

Waarom de necroloog niet meedoet

door Arjan Peters (uitgesproken tijdens de presentatie van Tirade 438 in het Orgelpark ism de SLAA)

Om een goede necrologie in de krant te krijgen, zouden schrijvers die op het punt van overlijden staan, moeten beseffen onder welke omstandigheden de necroloog dient te werken. Omdat ook hier vanavond vast schrijvers aanwezig zijn, en ook omdat hun moment van overlijden in veel gevallen eerder plaatsgrijpt dan zij denken, zal ik – bij de Volkskrant in dienst, onder meer als necroloog, dus de kans is aanzienlijk dat ík u te zijner tijd in de kolommen zal afleggen, of u dat nu leuk vindt of niet – op deze bijzondere avond de gewenste omstandigheden schetsen.

En dat kan het beste met een voorbeeld, Harry Mulisch. 30 oktober 2010 overleden: de hele week ervóór werd ik gebeld door Mulisch-watchers. ‘Marcel van Dam is bij hem geweest, en eh: het kan elk moment gebeuren.’ ‘Harry eet niet meer.’ ‘Nu drinkt Harry ook niet meer.’ Kortom, enkele dagen had ik de gelegenheid om aan de necrologie te werken. Zelfs radio- en tv-programma’s belden: ‘Harry Mulisch leeft nog, maar als blijkt dat hij vanavond is gestorven, komt u dan bij ons in de uitzending? En kunt u misschien vast zeggen wat dan uw eerste reactie is?’

En toen overleed Mulisch op een zaterdagavond, om acht uur ’s avonds. Ik werd, vraag niet hoe het kan, om vijf over acht gebeld, en om half negen stond er een taxi voor de deur, omdat ik in het programma Nieuwsuur mijn commentaar zou geven. In de studio in Hilversum zat ik even later geschminkt en wel te wachten, met Marita Mathijsen en Abelkader Benali, en toen het 22 uur was geweest en Nieuwsuur begon, groeide de paniek. De familie had namelijk nog altijd niet bekend gemaakt dat Harry was overleden. En dat was nodig om het nieuws wereldkundig te maken.

‘Gaan jullie toch maar vast zitten, die bekendmaking komt zo.’ En toen ging de telefoon: de familie liet weten het nieuws pas zondagochtend om 11 uur bekend te maken. Met als gevolg dat we onverhoeds weer naar huis werden gebracht, en de volgende avond opnieuw per taxi naar Hilversum gingen.

Maar wat ik wilde zeggen: zaterdag is de ideale dag, voor de dood. Want we hadden in het geval van Mulisch dus op de krant de hele zondag – minus de avond dan, toen ik wederom naar Nieuwsuur moest, om de pagina’s in orde te maken. Mulisch kreeg er negen, de eerste negen van de Volkskrant, nooit eerder vertoond. Mede als dank voor zijn medewerking.

Toen in 2006 Gerard Reve stierf, herinner ik me, was het een zondagochtend, ook toen konden we flink aan de gang. ’s Avonds waren de eerste drie pagina’s voor hem. W.F. Hermans was een stuk lastiger: donderdagmiddag, plus dat we niet eens wisten dat het zo met hem was gesteld. Er was niks voorbereid. Het kunstkatern van vrijdag was al klaar- en de necrologie wás er nog niet. We moesten alles omgooien, en hebben toen 2 pagina’s kunnen maken.

Jan Wolkers was ook vrijdagmiddag, ik stond bij Albert Heijn weet ik nog, toen ik werd gebeld, en de zaterdagkrant was al helemaal klaar. Maar ik had de necrologie van Wolkers al een paar maanden daarvoor gemaakt- het artikel was er al, dus konden we het katern ‘Het Vervolg’ openbreken, en de opening vervangen door mijn stuk.

Vreemde omstandigheden. Maar niet vervelend. Sterker nog, er hóórt iets van onverwachtheid bij- daarom ook zijn necrologieën soms aan de aandoenlijke kant, met foutjes en vergissingen; iets van de schok trilt na in het stuk. Van sommige mensen hebben we op de krant al een necrologie klaar liggen, uit voorzorg, maar dat zijn van die correcte artikelen, de data kloppen wel maar het leven zit er niet in, als u mij begrijpt, want een goede necrologie hoort bij de dood maar het leven moet er óók in zitten, ik wil ze liefst aanpassen als het zo ver is. Hella Haasse en Leo Vroman verdienen dat.

Bovendien voorkomt dat aanpassen eventuele gekke situaties: toen Rudy Kousbroek overleed, met Pasen vorig jaar, dacht ik gewoon aan mijn Paasontbijt te kunnen blijven zitten, want we hadden al een necrologie. Al jaren tevoren besteld zelfs, toen ik een keer had gehoord dat het slecht ging met Kousbroek. Maar wat ik was vergeten: die necrologie was geschreven door Kees Fens, en die was toen Kousbroek overleed inmiddels zelf al twee jaar dood. Korte tijd hebben we overwogen zijn stuk alsnog te plaatsen, maar het zou toch een curieuze indruk hebben gewekt: een dode schrijver die door een nóg dodere literator wordt uitgeluid, of liever gezegd: welkom geheten in het hiernamaals. Wat een genre op zichzelf zou kunnen zijn: necrologieën van gene zijde. Maar dit terzijde. We hebben besloten het niet te doen, het enige niet-gepubliceerde stuk van Fens kwam zodoende niet alsnog in de krant. Ik moest wel degelijk aan het werk.

Bij veel data weet ik nog waar ik mij bevond toen ik werd gebeld, meestal met de vraag of ik een necrologie wilde maken. Fritzi Harmsen van Beek: op een zonnig terras, uurtje of vijf in de middag, de week zat erop, ik had net iets besteld. J.J. Voskuil (gestorven op 1 mei, maar ik hoorde het 4 mei): ik zat naar de Dodenherdenking op tv te kijken. Gaat de telefoon: Pieter Broertjes. ‘Je kunt nóg een dode herdenken’. Het was kwart over acht, de krant was klaar, foto van Voskuil stond al op de pagina, er moest alleen gauw even een stuk komen. Ik had geen tijd om te schrikken en te treuren om die mij zo dierbare schrijver. Tijd om ook maar één passage te herlezen was er ook niet. Of het een goed stuk is geworden durf ik niet te zeggen- maar ik heb het in één uitbarsting gemaakt. Daarna pas, zo gaat het vaak, sta ik het verdriet toe.

Dat Willem Brakman was gestorven, hoorde ik toen ik mij in Den Haag op de begraafplaats Oud Eik en Duinen bevond, waar Voskuils kist zojuist in de aarde was verdwenen. Het telefoontje dat bewees ‘dat het leven gewoon doorgaat’, bevatte derhalve het nieuws dat ook het stérven na Voskuil gewoon door ging. Ik heb mij discreet verwijderd van het knekelveld, en ben in mijn rouwkostuum naar de burelen van de Volkskrant gegaan, om daar in een werkhok mijn das los te knopen, drie keer te zuchten, om mij vervolgens aan de necrologie van Willem Brakman te zetten. Ook al iemand aan wie ik veel goede herinneringen bewaar.

Ik herinner me het overlijdensbericht van de dichteres M. Vasalis (20 oktober 1998): de boekenredactie had een vergadering gehad op de krant in de Wibautstraat, en we liepen daarna om een uur of acht naar de Weesperzijde, om in een Portugees restaurant te gaan dineren. De uitgelatenheid groeide. Toen kwam een redacteur van de krant ons groepje achterna gefietst, roepend: ‘Halt! Vasalis is gestorven! Wie van jullie schrijft de necrologie?’

Eén van ons bleef stokstijf staan: Michaël Zeeman. ‘Gaan jullie maar eten, ik moet geloof ik even werken.’ Resoluut keerde hij om, en beende terug naar de burelen. We keken de grote rug na. Voorbeeldige heldhaftigheid.

Dan heb ik het nu over bekende schrijvers. Die heb je gelezen, je hebt meteen een beeld van ze, het gaat alleen om de juiste woorden om persoon en werk te typeren. Maar wat, als er een auteur overlijdt die je níet paraat hebt, en het is al avond, en de krant wacht? Ik weet nog mijn eerste grote onbekende: 1994, A. den Doolaard. Meteen sprong ik in een taxi, en ik riep tegen de chauffeur: ‘Naar de Volkskrant! Snel!’ ‘Wat is er gebeurd’, vroeg de man handenwrijvend, terwijl hij verheugd het gaspedaal indrukte. ‘A. den Doolaard is heengegaan!’ De schok was niet merkbaar. Maar die man moest mijn stuk ook nog lezen.

Intussen moest ik als een razende aan de arbeid. Datzelfde gebeurde me later ook bij Adriaan van der Veen - o god, nooit iets van gelezen!- en vorig jaar nog bij Driek van Wissen. Een hele vriendelijke baas, maar hoe moet je die nou hoffelijk afleggen? Ik heb toen zijn typerende rijmdwang hopelijk netjes aangeroerd in een stuk dat als kop kreeg: ‘De dikke Van Dale als beste vriend’.

Christine D’haen! Ook een moeilijk geval. Gewichtig en geleerd dichteres, ik nam het graag aan, maar ik had niets van haar in huis. Toch moest er meteen een necrologie komen, toen ze op 85-jarige leeftijd was gestorven. Ik heb toen een citaat gekozen uit een van haar vrijmoedige prozaschetsen, en dat door een grapje laten volgen. Ook nu, 2 jaar later, weet ik nog altijd niet of dat wel zo gepast was, een grapje als sluitstuk van een in memoriam. Het artikel eindigde als volgt, en ik citeerde daar Christine D’Haen: ‘Mijn gynaecoloog is verkouden en niest in mijn reet. Opkijkend van tussen mijn benen zegt hij: ‘U zult 100 jaar worden’. Waarna ik schreef: ‘Die zat er dus nog naast ook.’

Rare toestanden. Toen Louis Ferron zieltogende was, werd ik gebeld: ‘Je kunt je necrologie vast maken.’ Voorzichtig informeerde ik voor wanneer het was. Ik werd gebeld door een goede vriend van Louis: ‘Ik zit nu in de auto naar hem toe. Het kan niet lang meer duren.’ Toen heb ik toch moeten vragen of hij me op de terugweg ook wilde bellen. Heel naar, maar het is noodzakelijk om te weten dat iemand daadwerkelijk wijlen is.

Drie jaar geleden, telefoon: Jan Willem van de Wetering is dood, van de boeken over het duo Grijpstra & De Gier, en het Boekenweekgeschenk. ‘Wie zegt dat?’ ‘Leo Vroman zegt dat in een mailtje. Hij heeft er meteen een gedicht bij gemaakt.’ ‘Maar is het ook wáár?’ Na een half uur had ik via een omweg het telefoonnummer van Van de Wetering. Nummer gedraaid. Hij nam niet op. Maar ja, ik neem zelf ook wel eens niet op – en dan ga ik er niet van uit, dat derden dat al voldoende aanleiding vinden om spoorslags aan mijn necrologie te beginnen. Uiteindelijk het nummer van zijn Amerikaanse weduwe gevonden, en haar schroomvallig gevraagd of het waar was dat haar man was overleden.

Natuurlijk gaan er dingen fout, in zo’n stuk. Boektitel net verkeerd, ander jaartal, het was verdomme een andere literaire prijs, kan allemaal gebeuren. En het gebéurt ook. Maar dat is het belangrijkste niet. Het voornaamste van zo’n necrologie is de inzet, het respect voor een overledene met een staat van dienst in de letteren; de póging tot een karakteristiek is, wat mij betreft, al lovenswaardig. Ik heb wildvreemden en soms bekenden moeten uitluiden, een paar weken nog de allerbeminnelijkste Clark Accord, en ik ben dan altijd zó betrokken bij zo’n sterfgeval, dat ik mij voor deze avond geen sketch over mijn eigen geval kon toestaan. Het lukt me niet.

Misschien komt het door mijn ontzag voor dood. Ik zie hem als een grootheid, superieur aan het leven. Soms kan ik naar hem uitkijken. Als hij zich aandient, zal ik mij vermoedelijk geen moment verzetten. Misschien ook komt het doordat ik in die zenuwachtige uren van het schrijven van necrologieën vaak zó mijn best heb zitten doen, dat ik mij zelf zou verraden als ik er voor deze gelegenheid louter grappig over deed. Je hebt van je eigen dood áf te blijven. Jij gaat daar niet over. Jij hebt je tijd gehád.

Een necrologie is dus het eerste stuk waar de dode zelf niets meer over te zeggen heeft: het is een reactie van de nabestaanden. Een eerste reactie: spontaan, niet volledig misschien, maar wel met de beste bedoelingen opgesteld.

In juli is het twee jaar geleden dat Michaël Zeeman overleed, collega-criticus bij de Volkskrant en daarnaast een vriend. Ik heb hem zo willen beschrijven als hij was, en zag en hoorde hem toen zó dichtbij, dat ik het in-memoriam met moeite kon voltooien. Ik wilde het graag doen, want hij was een vriend voor wie ik veel waardering had, en ik wilde het helemaal niet, omdat ik hem ineens in de verleden tijd moest gaan beschrijven.

En dàn te bedenken, dat ik aanstonds ook ú nog moet gaan herdenken. Wacht u daar alstublieft nog even mee. Het is nog lang geen zaterdag.


Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
 
Nr.437 Nr.438 Nr.439 Nr.440 Nr.441
 
intro / voorproeven / Bij De Buren / Schrijf uw eigen IM / Arjan Peters over necrologie
 
 
438/Arjan