intro

Louter essays en poëzie in Tirade 131, verschenen in november 1967 onder redactie van G.A. van Oorschot en G.K. van het Reve, een nummer dat opent en sluit met kritische opmerkingen betreffende het Chinese en Russische communisme. Het openingsartikel is van de Amerikaanse slavist William E. Harkins, die de roman Afgunst van Joeri Oljesja onderdompelt in een stevig bad Freudiaanse duiding. In een passage waarin hij een scène met een bed door de Freudiaanse mangel haalt, een bed als “een vaginaal symbool”, verwoordt Harkins het als volgt: “In de psychoanalytische school is de gestalte van de castrerende moeder wel bekend. Freud spreekt van de afkeer van de man, wanneer hij voor het eerst de vagina ziet, dikwijls van de moeder die hij als klein kind wel eens vluchtig heeft kunnen zien. De afwezigheid van een penis bij de vrouw schijnt zijn eigen penis te bedreigen. De fantasie van de castrerende vagina, van een vagina dentata is al even welbekend en dit is het type vagina dat Anitsjka’s afschuwelijke ledikant schijnt te suggereren.” Voor degenen onder u die niet gymnasiaal zijn geschoold: met een vagina dentata wordt een vrouwelijk geslachtsdeel bedoeld dat in het bezit is van tanden. U dient zich dat overigens niet letterlijk voor de geest te halen, maar zich dat vooral als Freudiaans beeld voor te stellen. Dit even ter geruststelling.

De roman Afgunst van Joeri Oljesja is overigens aanmerkelijk beter dan het stuk waarin het van duiding wordt voorzien en is opnieuw te verkrijgen in de onvolprezen reeks Russische miniaturen van Van Oorschot.

 

Het teken voor herinnering van Ronald Spoor gaat over Le Grand Meaulnes (Het Grote Avontuur) van Alain-Fournier. Een goed essay waarin andermaal wordt geconstateerd dat de roman niet de waardering krijgt die het verdient, een uitspraak die waar is en het altijd zal blijven.

 

Voorts veel poëzie in dit nummer. De meest onbekende in het gezelschap is Kees Winkler (1927), een hersenkundige die in 2004 overleed en een bescheiden poëtisch oeuvre naliet dat nauwelijks enige bijval ten deel is gevallen. “Zo ben ik eens te meer een reddeloze / die dichtend poogt zijn waarde te bewijzen / mijn ster staat laag en zal nimmer rijzen” dicht hij zelf. Mooie laatste regel, treffend zelfinzicht.

 

Huisideoloog Jacques de Kadt mag zich ook in dit nummer weer toeleggen op dat waar hij het beste in is en waarmee hij het postume gelijk aan zijn zijde heeft: het afbranden van de communistische heilsleer in het algemeen en de praktische uitwerking ervan in de Sovjet Unie en Volksrepubliek China in het bijzonder.

 

“Het Stalinistische boerenbedrog heeft de Russische boeren nooit bedrogen, maar de Westerse intellectuelen en revolutie-gelovigen wel. En het Chinese boerenbedrog, een epigonen-stalinisme op een nog veel lager peil, bedriegt noch de Chinese boeren, noch zelfs de Chinese communisten; maar de intellectuelen uit de school van Wertheim (Chinakenner en emeritus professor Wim Wertheim, jvk) verklaren iedereen tot reactionair, en tot fascist, die er niet een voorbeeld in zien (...)”, fulmineert De Kadt. Alleen de mensen met “een redelijk critisch vermogen” doorzien de ware aard van de communistische regimes in Rusland en China. In 1967 bepaald een dissident standpunt.

 

Tot besluit de portfolio, bevattende werd van keramiste Heidi Daamen. We zien olijke vrouwenfiguurtjes die ergens op zitten, soms op een egel, soms op een stoofje. Een kleine rondgang langs zoekmachines leert ons dat Heidi ook nu nog actief is en haar thematiek in de loop der jaren bepaald niet heeft verloochend. Integendeel, haar voorkeur voor vrouwen die graag op dieren of voorwerpen zitten is nog springlevend. Een van haar recente werken is getiteld ‘boerenmeid op schildpad’. Maar ze exploreert ook nieuw terrein: ‘Honden uitlaten’ heet een van haar andere creaties, waarvan ik helaas geen afbeelding heb kunnen vinden.

Reageer >
 

< 1960 <1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 < 2020
 
1962 1963 1967 1968 1969
 
Nr.131
 
intro / inhoud
 
 
131/intro