Modiano

Dante bij Modiano: een goddelijke komedie in Parijs1

door Manet van Montfrans

‘Halverwege de weg van het ware leven gingen we gehuld in een zwarte melancholie, die doorklonk in zoveel spottende en trieste woorden, in het café van de verloren jeugd.’ Aan dit citaat uit een film van Guy Debord ontleende Patrick Modiano de titel en het motto van zijn recent verschenen roman Dans le café de la jeunesse perdue.2 Het is een vrije variatie op de eerste drie verzen van de Divina Commedia: ‘Op het midden van onze levensweg bevond ik mij in een donker woud, omdat ik van de rechte weg was afgedwaald’. De danteske inslag van Debords film blijkt ook al uit de titel: In girum imus nocte et consumimur igni (Wij dolen rond in de nacht en worden door vuur verteerd).

Debord (1931-1994) was een van de oprichters van de Internationale situationniste, een kleine politiek-artistieke beweging die zich tegen de opkomende consumptie- en mediamaatschappij keerde, en als wegbereider van mei ’68 optrad. Hij is vooral bekend om zijn kritische beschouwingen in La Société du spectacle (1967) en Commentaires sur la société du spectacle (1988), waarin hij de beeldcultuur als de nieuwe religie van het kapitalisme en de burger als willoze consumptieslaaf afschildert. De Internationale situationniste ontbond zichzelf in 1972. De film In girum … dateert uit 1978 en is een terugblik op de protestbewegingen uit de jaren zestig.3

De situationisten verzetten zich tegen alle vormen van cultuur die afgesneden waren van de directe ervaring. Met maatschappelijke normen en conventies hadden ze bijzonder weinig op, de gevestigde kunst vond geen genade in hun ogen. Tot hun bekendste remedies tegen de verstarring van leven en kunst in vaste patronen behoorden la dérive en le détournement. La dérive (het op drift zijn) werd door Debord omschreven als ‘een techniek om wisselende omgevingen vluchtig te doorkruisen en zich daarbij over te geven aan onverwachte prikkels en emoties’. Terrein bij uitstek van la dérive is de stad, in casu Parijs, waarin omzwervingen zonder bestemming of doel tot onvoorziene ontmoetingen en ervaringen leiden.

De tweede remedie, le détournement (verduistering), is gericht tegen het idee van intellectueel eigendom en verwijst naar het onbekommerde hergebruik van bestaande kunstwerken waarvan fragmenten, al dan niet gewijzigd en met of zonder bronvermelding, opgenomen worden in nieuwe creaties. Zo heeft Debord zijn film opgebouwd uit scènes die ‘gestolen’ zijn uit de meest uiteenlopende films, en is het commentaar een aaneenschakeling van citaten. Op de lijst van bronnen die aan de filmtekst van In girum … is toegevoegd, komt de Divina Commedia een aantal malen terug. In de noten bij deze lijst legt Debord de nadruk op de twee hoofdthema’s van de film, de tijd en de hartstocht. De tijd wordt gesymboliseerd door het beeld van het water, de hartstocht door dat van het vuur:

Saint-Germain-des-Prés, de jeugd, de liefde […], de Duivel, de strijd en de “onvoltooide ondernemingen” tijdens welke mensen sterven […]; en het verlangen in deze nacht van de wereld (nocte consumimur igni). Maar het water van de tijd blijft bestaan, voert het vuur mee en dooft het uit. Zo is de stralende jeugd van Saint- Germain-des-Prés, de vurige aanval van de moedige “Light Brigade”, ten ondergegaan in het stromend water van de jaren toen zij optrok onder “het kanon van de tijd”.4

In Dans le café de la jeunesse perdue heeft Modiano de thema’s en de verwijzingen van Debords film gebruikt als bouwstenen voor een geschiedenis waarin de lezers die met zijn werk vertrouwd zijn, al gauw de favoriete periodes, plaatsen en personages van de schrijver zullen herkennen. Het verhaal speelt zich af in Parijs, in de vroege jaren zestig, de bloeitijd van het situationisme. Een tijd die, samen met de bezettingsjaren, in nagenoeg alle romans van Modiano (1945) figureert. Hoe cruciaal deze periodes zijn geweest in Modiano’s eigen leven, weet zijn lezer uit vraaggesprekken met de schrijver en uit zijn autobiografie Un Pédigrée (Stamboek, 2005), het afstandelijke verslag van een eenzame, stuurloze jeugd.

De personages treffen elkaar tijdens drank- en drugsgelagen in het café Le Condé, een ontmoetingsplaats voor kunstenaars en studenten op de Rive gauche vlak bij het Odeontheater. ’s Avonds laat gaat ieder zijns weegs, en komt na lange omzwervingen door een uitgestorven, duister Parijs ‘thuis’ in een doorgaans tijdelijk onderkomen, een armzalige hotel- of huurkamer. De cafébezoekers leven van dag tot dag, van roes tot roes, zonder doel en zonder vaste bezigheden, geheel in overeenstemming met de leefregel van de situationisten die arbeid als iets minderwaardigs beschouwden en een staat van permanente dronkenschap nastreefden. ‘Straathonden’, noemt de bazin van de Condé haar klanten, een kwalificatie die Modiano in Un Pédigrée ook op zichzelf van toepassing acht: ‘ik ben een hond die doet alsof hij een stamboek heeft’.

De hoofdrol in het verhaal is weggelegd voor een jonge vrouw. Ze heet Jacqueline Delanque maar de stamgasten van het café noemen haar Louki. Die bijnaam moet haar in staat stellen in ‘een nieuwe huid te kruipen’. Maar waarom? Wat is er met haar aan de hand? Op die vraag proberen vier vertellers antwoord te geven: een student die naamloos blijft, de privé-detective Pierre Caisley, Jacqueline zelf, en haar vriend Roland, een schrijver in spé. Het relaas van Jacqueline gaat over haar jeugd en over haar leven tijdens de periode dat zij Le Condé bezoekt. Caisley, de student en Roland blikken terug op diezelfde periode, begin jaren zestig, die dan echter al ver achter hen ligt. Caisley die twintig jaar ouder is dan de drie andere vertellers, herinnert zich bovendien ook de oorlogsjaren. Doordat op deze wijze verschillende periodes over elkaar heen schuiven, krijgt de roman de diepte in de tijd die zo karakteristiek is voor Modiano’s werk.

In hun pogingen om de levensgeschiedenis van ‘Louki’ te reconstrueren, doorkruisen de personages de stad. En zoals in voorgaande romans is de topografie extreem precies, maar vertoont het levensverhaal van de hoofdpersoon grote leemtes. Voor Modiano’s trouwe lezer lijkt deze geschiedenis van een jonge vrouw, op drift in het Parijs van de jaren zestig, dan ook weinig verrassingen in petto te hebben. Zo herkent hij bijvoorbeeld zonder moeite de met de Tweede Wereldoorlog verbonden tegenstelling tussen de Rive droite en de Rive gauche. Op de rechteroever van de Seine huisden tijdens de bezetting de Gestapo, hun Franse handlangers en de zwarthandelaars, in de jaren zestig regeerde er een maffiabende. De linkeroever echter was het domein van het Verzet, dat zijn hoofdkwartier had in het XIVe arrondissement. Na de oorlog was de Rive gauche de plaats van de jeugd en de (betrekkelijke) onschuld, waar men zich aan de verantwoordelijkheden van het volwassen leven kon onttrekken - de wereld van de universiteiten, de boekhandels, de bioscopen, de cafés.

Dat deze tegenstelling ook autobiografisch gekleurd is, blijkt overduidelijk uit Un pédigrée. Daarin beschrijft de auteur het chaotische leven van zijn ouders in een bont en kosmopolitisch milieu tijdens en na de oorlog. Modiano’s joodse vader woonde een tijd lang naast de Gestapo in de rue des Saussaies (VIIIe) en ontsnapte ternauwernood aan deportatie. Hij raakte verzeild in de wereld van de zwarte handel en van de beroepsoplichters die waren neergestreken in het XVIe arrondissement. En ook na 1945 konden de ‘zaken’ die hij afhandelde in steeds andere kantoren op de Rive droite het daglicht niet velen. De moeder van de auteur kwam in 1942 via een Duitse officier uit Antwerpen naar Parijs. Zij trad als actrice op in de theatertjes en music halls van Pigalle (XVIIIe).

Het appartement waarin Modiano opgroeide en waar zijn ouders in 1943 hun intrek hadden genomen, lag daarentegen op de Rive gauche, 15 quai de Conti. Behalve de aanwezigheid van de ouders toont ook het lot van twee voormalige bewoners van dit appartement, de joodse schrijvers Maurice Sachs en Albert Sciaky, dat de tegenstelling tussen de twee oevers niet zo heel eenduidig is. Sachs zocht zijn heil in de zwarte handel, verhuurde zijn diensten in Duitsland aan de Gestapo en kwam in april 1945 bij een gevangenentransport om het leven. Sciaky maakte deel uit van een verzetsgroep, werd in 1944 gearresteerd en stierf in maart 1945 in Dachau. Met dergelijke schimmen groeide de jonge Modiano op.5

De historisch en autobiografisch gekleurde tegenstelling tussen de twee Seine-oevers vormt in Modiano’s romans het stramien voor steeds andere variaties. Wie op een plattegrond van Parijs de gangen van de stamgasten van Le Condé nagaat, constateert dat Modiano de Rive gauche opnieuw afschildert als de plaats van de jeugd, de Rive droite als oord van verderf, de Seine als grens, en de bruggen tussen beide oevers als niemandsland, als vrijplaatsen. Maar tegelijkertijd nuanceert en verrijkt de schrijver dit schema met behulp van een groot aantal literaire verwijzingen. De roman is een trefpunt van dode en levende schrijvers, beroemd of allang in de vergetelheid geraakt. De toneelschrijver Adamov, de romancier Maurice Raphaël en de opiomane dichter Olivier Larronde treden op als personages. De namen van Baudelaire, Dorgelès, Nerval, Nietzsche, Perec en Sachs duiken op in toespelingen of worden opgeroepen door de beschrijving van de wijken waarin ze hebben gewoond. Het meest verrassend zijn echter de verbanden die Modiano legt met Dantes Divina Commedia. Figuur 1: plattegrond van de arrondissementen van Parijs

Saint-Germain-des-Prés en Montparnasse: het voorgeborchte

Het eerste hoofdstuk speelt zich af op de Rive gauche, in de rue de Condé en in het XIVe arrondissement. Caisley, de verteller in hoofdstuk 2, bezoekt tijdens zijn speurwerk Neuilly, in de buurt van het Bois de Boulogne, en het XVIIIe arrondissement, beide gelegen op de Rive droite. Roland, die in de twee laatste hoofdstukken aan het woord komt en vanwege herinneringen aan een weinig gelukkige jeugd het Quartier latin liever mijdt, heeft zijn intrek genomen in een hotel in een ‘neutrale zone’ op de Rive droite, bij de avenue de la Grande Armée die het XVIe van het XVIIe arrondissement scheidt. Het zwaartepunt van de roman ligt echter bij de plaatsen die in het middelste hoofdstuk worden beschreven, de buurt waar Jacqueline is opgegroeid, op de grens tussen het IXe en het XVIIIe arrondissement. Deze verschillende plekken worden met elkaar verbonden door de routes die de personages afleggen.

Verteller in het eerste hoofdstuk is de anonieme student. Hij probeert zich het verre verleden te herinneren waarin hij de excentrieke stamgasten van het café observeerde. De tekst opent met zijn herinnering aan de entree van Jacqueline in het café: ‘van de twee ingangen gebruikte zij altijd de smalste, die door de cafébezoekers de schaduwpoort werd genoemd’. De ‘smalle poort’ geeft volgens het evangelie naar Lucas (13, 22-30) toegang tot het paradijs, maar ‘de schaduwpoort’ doet eerder denken aan de poort die in de Divina Commedia naar de hel leidt, met de overbekende, in donkere letters geschreven waarschuwing aan de nieuwkomers: ‘Laat varen alle hoop gij die hier binnentreedt’ (Hel III, v. 8, 9). De duisternis waarin Jacqueline opkomt, contrasteert met het licht dat haar op enkele bewaard gebleven foto’s lijkt te omhullen: ‘ze ving het licht beter dan de anderen op, zoals ze bij de film zeggen’. Die fotogenieke eigenschap verklaart voor de lezer dan ook meteen haar bijnaam (Louki: lux) en roept een associatie op met de Divina Commedia. Is deze naam een verwijzing naar Lucia, de heilige die Beatrice verzoekt om de dichter te hulp te komen als deze aan het begin van zijn reis de moed dreigt te verliezen bij het vooruitzicht van de beproevingen die hem te wachten staan? Of symboliseert hij het licht waarnaar de personages van Dante en, zoals uit het vervolg zal blijken, ook de figuren van Modiano streven – het licht van de mystieke liefde die eeuwige gelukzaligheid brengt en de mens van aardse lasten bevrijdt.

Vanwege zijn opleiding aan de Hogeschool voor de Mijnbouw lijkt de student bij uitstek geschikt om de lezer op zijn eerste stappen naar een ondergrondse wereld te begeleiden. ‘Ondergronds’ in de letterlijke betekenis van het woord: in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw beschikten studenten van deze school over uitvoerige documentatie waarmee ze het honderden kilometers lange gangenstelsel onder Parijs in kaart brachten en de eerste nieuwsgierigen in dit duistere doolhof rondleidden. Het gebouw van de Ecole supérieure des Mines, dat aan de boulevard Saint-Michel ligt, staat trouwens via enkele gangen in verbinding met dit labyrint. Maar ‘ondergronds’ kan ook figuurlijk worden opgevat: de student introduceert ons in de Parijse onderwereld die wordt bevolkt door louche personages met eigenaardige namen als Tarzan, La Houpa, Don Carlos, Ali Cherif, Zacharias en Vala.

Behalve op foto’s vindt de student nog sporen van ‘Louki’ terug in een schrift dat een zekere Bowing hem heeft gegeven toen hij het land ‘moest’ verlaten. Drie jaar lang noteerde Bowing systematisch van alle cafégasten naam, adres, datum en uren van bezoek. Een merkwaardige gewoonte die, zoals een van de stamgasten geërgerd opmerkte, deed denken aan de maniakale bureaucratie waarmee de razzia’s tijdens de Tweede Wereldoorlog gepaard gingen. De student-verteller die te jong is voor dergelijke associaties, herkent zichzelf echter in Bowings onderneming: ‘Wat Bowing eigenlijk probeerde, was de nachtvlinders die enkele ogenblikken rond een lamp fladderen te redden van de vergetelheid. Hij droomde, zei hij, van een immens register waarin gedurende honderd jaar de namen van de klanten van alle Parijse cafés zouden zijn opgetekend, met vermelding van het tijdstip van aankomst en vertrek. Hij was geobsedeerd door wat hij ‘de vaste punten' noemde’.

De laatste alinea’s van het hoofdstuk bevatten de herinnering aan een regenachtige avond. Een van de stamgasten, Maurice Raphaël, biedt aan om Louki-Jacqueline en de student thuis te brengen. Het adres van Jacqueline, een hotel in het XIVe, ten zuiden van het kerkhof van Montparnasse, ontlokt dit personage, dat ondanks zijn engelachtige achternaam een diabolische uitstraling heeft, een ironische opmerking: ‘U woont dus in het voorgeborchte’. En het adres van de student komt hem op een al even dubbelzinnige gelukwens te staan: ‘Mooie wijk om in te wonen, Val-de-Grâce’. Een blik op de plattegrond van het ondergrondse Parijs leert dat een groot gedeelte van het zuidelijke netwerk van de gangen zich ver voorbij het kerkhof Montparnasse tot onder Val-de-Grâce uitstrekt, en dan wordt ook de eigenlijke portee van deze ogenschijnlijk onschuldige opmerkingen duidelijk. In deze roman laat Modiano zijn personages afdalen in de stad onder de stad en net zoals Dante voert hij hen eerst naar het voorgeborchte.

Figuur 2 L’Ecole des Mines Voordat Vergilius en Dante de eigenlijke hel binnengaan, ontmoeten ze in het voorgeborchte dichters, helden en filosofen uit de Oudheid - Homerus, Ovidius, Hector en Aeneas, Aristoteles, Socrates en Plato. Zij leefden lang vóór Christus en waren dus niet gedoopt, maar hun wetenschappelijke en artistieke verdiensten en hun liefde voor hun vaderland zou hen volgens Dante voor de eeuwigdurende hellestraf behoed hebben (Hel IV, 80-142). Ook bij Modiano genieten de personages die hun toevlucht hebben gezocht op de Rive gauche, ‘in de schaduw van de literatuur en de kunsten’, een zekere immuniteit, zelfs als ze zich, zoals Maurice Raphaël, schuldig hebben gemaakt aan collaboratie tijdens het Vichy-bewind en betrekkingen onderhouden met de onderwereld.

Van de ene oever naar de andere: van het voorgeborchte naar de hellekringen

Figuur 3 Paris, les Catacombes Om de mensen te kunnen doorgronden dien je eerst zo precies mogelijk hun gangen na te gaan, luidt de stelregel die Modiano zijn detective Caisley in de mond legt. Caisley, die in het tweede hoofdstuk als verteller optreedt, geeft zich in Le Condé uit voor uitgever van kunstboeken. Van de echtgenoot van Jacqueline heeft hij de opdracht gekregen zijn vrouw op te sporen die bij hem is weggegaan zonder een adres achter te laten. Als voormalig werknemer van de Inlichtingendienst heeft Caisley weinig moeite om de identiteit van Jacqueline te achterhalen. Zij is in de oorlog in de Sologne geboren. Wie haar vader was is niet bekend, zij is grootgebracht door haar moeder, Geneviève Delanque, die als ouvreuse bij de Moulin Rouge werkt. Tot twee keer toe is zij door de politie opgebracht omdat zij als minderjarige ’s nachts op straat rondzwierf.

Bij zijn pogingen de levensloop van Jacqueline te reconstrueren, legt Caisley twee routes door Parijs af, uitgerust met een met plakband gerepareerde Taride-plattegrond. Hij begint zijn zoektocht in het hotel in het XIVe waar Jacqueline haar toevlucht had gezocht na bij haar man te zijn weggegaan. Het hotel ligt in een ‘wijk die aan een van die mysterieuze zones doet denken die men wel achterland noemt’. Caisley pauzeert in Le Condé en neemt vervolgens de metro om de echtgenoot van Jacqueline te bezoeken met wie hij afgesproken heeft in Neuilly, tussen het Bois de Boulogne en de Seine, vlak bij de porte de Madrid. De echtgenoot woont in een modern, nagenoeg leeg appartement, in een doodstille wijk. Hij heeft Jacqueline ontmoet bij de onroerendgoedfirma waar hij werkt en waarvan het kantoor zich in de rue de la Paix (Ie) bevindt. Zij zou hem verlaten hebben omdat het ‘ware’ leven dat zij meende ontdekt te hebben in haar lectuur, te zeer verschilde van het leven dat ze met haar echtgenoot leidde.

Enkele dagen later, op een mooie zonnige herfstmiddag, neemt Caisley de Noord-Zuidlijn van de metro. Hij volgt ‘de weg die Jacqueline ook had gevolgd, maar in de tegengestelde richting’ stapt uit bij Pigalle, en wandelt via de boulevard de Clichy naar het huis waar zij is opgegroeid. Het ligt aan de avenue Rachel (XVIIIe), een korte, brede zijstraat van de boulevard de Clichy die uitkomt op de ingang van het kerkhof van Montmartre. In deze straat voelt Caisley zich heel dicht bij de jonge vrouw, het is alsof hij in de verte de echo van haar voetstappen hoort wegsterven. Hij vraagt zich af welke motieven zij kan hebben gehad om na de dood van haar moeder de buurt waarin ze was opgegroeid te ontvluchten - eerst westwaarts naar Neuilly en het Bois de Boulogne, en daarna naar het zuiden, naar de overkant van de Seine, alsof het oversteken van de rivier haar beschermde tegen een dreigend gevaar. Het lot van de eenzame jonge vrouw raakt hem dan zo zeer dat hij besluit van zijn opdracht af te zien en niet verder te proberen haar geheimen te doorgronden.6

Caisley is goed op de hoogte van het dubieuze verleden van bepaalde stamgasten van Le Condé. Hij dient dan ook als veerman tussen twee oevers en twee periodes. Dante en Vergilius varen in een bootje over het water dat hen van Dis, de helse stad, scheidt. Caisley beschikt over een moderner middel van vervoer: hij neemt de metro, rijdt onder de Seine door en komt tijdens zijn eerste tocht weer boven de grond bij het station Les Sablons in Neuilly-sur-Seine, op zijn tweede tocht bij Pigalle in het XVIIIe. Hij bevindt zich dan in de hel: in deze buurten, voorheen het territorium van de Gestapo, van de collaborateurs, huizen nog steeds moordenaars, verraders en wellustelingen. Het geluid van jachthoorns waaraan Caisley tijdens een wandeling langs de zoom van het Bois de Boulogne denkt en dat bij hem een associatie met de drijfjacht in de wouden van Sologne wekt, roept de gedachte op aan de slachtoffers die als opgejaagd wild tevergeefs proberen aan hun belagers te ontkomen.

Pigalle en Montmartre: van de hel naar de omgangen van de Louteringsberg

Waarom wilde Jacqueline een nieuw leven beginnen? Et aan wie of wat probeerde zij te ontsnappen? Hoofdstuk 3, het relaas van Jacqueline, geeft ten dele antwoord op de vragen die de student en Caisley zich over haar stellen. In het hotel in het XIVe, voorbij het kerkhof van Montparnasse, herinnert Jacqueline zich haar jeugd op nummer 10 van de avenue Rachel. De moeder die als ouvreuse bij de Moulin Rouge werkt, laat haar dochter noodgedwongen tot diep in de nacht alleen. Het meisje, dat de eenzaamheid binnenshuis niet kan verdragen, gaat de straat op. Ze zwerft op en rondom de boulevard de Clichy die de grens tussen het IXe en XVIIIe arrondissement vormt, en het place de Clichy, het place Blanche en het place Pigalle met elkaar verbindt. Ze loopt bij voorkeur aan de donkere zijde van de boulevard. De hel verlichte, rosse buurt aan de overzijde met zijn schreeuwerige neonreclames waarop ‘het mooiste naakt van de hele wereld wordt aangeprezen’ beangstigt haar. Als ze wordt opgepakt door de politie, ervaart ze dat eerder als geruststellend dan als bedreigend. Soms waagt ze zich in de straten beneden in het donkere IXe arrondissement die ze aanduidt als de ‘premières pentes’, de eerste hellingen of omgangen.

Jacqueline is het spoor bijster zoals Dantes dichter in de eerste Canto van de Divina Commedia. Tijdens haar omzwervingen ontmoet ze twee ‘gidsen’, een vrouw en een man, die haar beiden een oplossing voor haar angsten aan de hand doen. De vrouw, Jeannette, die ze in een apotheek op het place Blanche tegenkomt en wier achternaam (Gaul: district in het Duits, Gauleiter: districtshoofd in Nazi-Duitsland) en bijnaam (tête de mort: de SS voerde als embleem een doodshoofd) weinig goeds beloven, introduceert haar in de kunstmatige paradijzen van de harddrugs. De man, een vaderlijke boekhandelaar op de boulevard de Clichy die gespecialiseerd is in science-fiction en astronomie, geeft Jacqueline een boek met de titel Voyage dans l’infini. Het is maar helemaal de vraag of dit cadeau op den duur minder nadelig uitpakt dan de ‘sneeuw’ van Jeannette: de gevolgen worden in ieder geval in vergelijkbare termen beschreven. Wanneer ze cocaïne gebruikt, voelt Jacqueline de angst en het gevoel van leegte wijken. Een zelfde gewaarwording heeft ze als ze er op een nacht in slaagt haar angst voor de rosse kant van de boulevard de Clichy te overwinnen omdat alle lichten, zelfs die van de Moulin Rouge, gedoofd zijn. Ze loopt omhoog, de heuvel van Montmartre op, naar het Château des Brouillards. Ze heeft de indruk dat daarboven iemand op haar wacht. Aan het einde van de steile straten lokt de lucht en de leegte met een belofte van vrijheid en gewichtloosheid, van een ‘reis in het oneindige’. De niet nader gedefinieerde dreiging wijkt en ze vraagt zich af hoe ze deze ervaring moet benoemen: Is het Dronkenschap? Extase? Verrukking?

Ondanks deze positieve ervaring besluit Jacqueline na de dood van haar moeder de buurt te ontvluchten, misschien uit angst voor het verderfelijke Pigalle, de verleiding van de kunstmatige paradijzen of de gevaarlijke aantrekkingskracht die de heuvel van Montmartre op haar uitoefent. Haar verhuizing naar de overkant van de Seine die zij beschouwt als ‘een demarcatielijn die twee geheel verschillende steden van elkaar scheidt’, is geen garantie voor absolute veiligheid. Pigalle heeft ook voorposten in Saint-Germain-des-Prés, en sommige louche personages, zoals Raphaël, pendelen tussen beide oevers. Dat was trouwens tijdens de oorlog ook zo: het verzet had zijn hoofdkwartier op de Rive gauche, in de catacomben bij Denfert-Rocherau (voorheen place d’Enfer: het plein van de hel), maar de ondergrondse gangen werden ook door de collaborateurs gebruikt om zich onopgemerkt van de ene oever naar de andere te begeven.

Wanneer Jacqueline probeert zich de naam van de bar te herinneren die ze met Jeannette op een van de ‘eerste hellingen’ bezocht, vraagt ze zich af of die naam misschien Chez Dante luidde. De vermelding van Dante bevestigt de parallel met de Divina Commedia: Montmartre (mont du martyre: berg van de martelaars) is dan een Parijse versie van de louteringsberg, de plaats waar de zondaars hun zonden uitboeten voordat ze tot het paradijs worden toegelaten. Eenmaal op de louteringsberg klimmen Dante en Vergilius immers langs de zeven omgangen vol berouwvolle zondaars omhoog.

Het paradijs

De vierde en laatste verteller, Roland, heeft Jacqueline ontmoet tijdens een avond bij een zekere Guy de Vere, een specialist in esoterie die bijeenkomsten organiseert in het XVe arrondissement op de Rive gauche. Ook De Vere voorziet Jacqueline van lectuur. Hij doet haar twee boeken cadeau, Horizons perdus en Louise du Néant. Auteurs en inhoud blijven onbesproken, de lezer mag zelf uitzoeken wat deze lectuur inhoudt en wat de uitwerking ervan op de jonge vrouw kan zijn. We komen alleen te weten dat ze zich zo met de hoofdpersoon van Louise du Néant vereenzelvigt dat ze haar voornaam op de omslag van het boek doorstreept en vervangt door haar eigen naam. Louise du Néant blijkt de titel van een biografie van een zeventiende-eeuwse mystica, geschreven door haar biechtvader, de jezuït Jean Maillard. Horizons perdus (Lost Horizon) is de titel van een film uit 1937 naar het gelijknamige boek van James Hilton (1933) over een groep Engelsen van wie het vliegtuig is neergestort op de hellingen van de Himalaya. Na een uitputtende tocht ontdekken de overlevenden het klooster van Shangri-la waar eeuwige vrede en harmonie heersen. Als de lezer dit eenmaal heeft ontdekt, begrijpt hij ook waarom Jacqueline over Montmartre als over haar Tibet praat.

Roland brengt ons terug bij de situationisten en in het voorgeborchte. Hij werkt aan een tekst over les zones neutres in Parijs, braakliggende terreinen die door niemand worden opgeeist en waarvan de bewoners niet staan geregistreerd bij de burgerlijke stand. Een gebied waar je kunt ontsnappen aan de greep van de maatschappij, waar je ‘vrij’ bent. Als Roland aan Raphaël vraagt wat zijn mening is over de uitdrukking ‘vrije zone’, haalt deze zijn schouders op en antwoordt met een uitgekookt lachje: ‘laten we het woord neutraal gebruiken en het er verder niet over hebben’. De uitdrukking ‘vrije zone’ doet hem waarschijnlijk denken aan een periode waarover hij maar liever zwijgt.

Samen met Jacqueline zoekt Roland de ‘neutrale zones’ op, de wijk tussen Ségur en Dupleix met de straten die uitkomen op de voetgangersbruggen waar de metro boven de grond komt, het île des Cygnes, het smalle eiland midden in de Seine tussen de pont de Grenelle en de pont de Bir-Hakeim, op de punt waarvan de kleine replica staat van het vrijheidsbeeld dat Frankrijk aan de Verenigde Staten schonk. De oorspronkelijke benaming van het beeld, ‘de vrijheid die de wereld verlicht’, contrasteert op ironische wijze met de sombere herinneringen die de nabijgelegen plek van het in 1960 afgebroken Vélodrome d’hiver oproept. Een herdenkingsmonument dat in 1995 werd ingehuldigd, herinnert heden ten dage aan de grote razzia van 16 en 17 juli 1942 waarbij ruim 13.000 joden in het wielerstadion bijeengebracht werden alvorens gedeporteerd te worden. De brug Bir-Hakeim waarvan de naam eveneens naar de Tweede Wereldoorlog verwijst, dient als viaduct voor de bovengrondse metro, lijn 6, die de stations Nation en Etoile verbindt. Jacqueline had de gewoonte om deze metro te nemen toen zij nog bij haar echtgenoot in Neuilly woonde. Na haar ontmoeting met Roland vermijdt zij deze lijn. In het licht van de medeplichtigheid van Franse overheidsdienaren aan de vervolging van de joden is deze breuk tussen ‘Nation’ en ‘Etoile’ veelbetekenend te noemen.

Zelfs de ‘neutrale zones’ of, in danteske termen het voorgeborchte, bieden dus onvoldoende bescherming. Het Saint-Germain-des-Prés dat door Jacqueline wordt gefrequenteerd, wekt bij Roland pijnlijke herinneringen aan een eenzame kindertijd. Het hotel van Roland in de rue d’Argentine bij de avenue de la Grande Armée is voor Jacqueline te dicht bij het huis van haar echtgenoot in Neuilly. Het paar droomt er dan ook van om Parijs definitief te verlaten. In het hotel d’Argentine geeft een februarimaand met veel sneeuw hun de illusie dat ze de enige gasten in een afgelegen berghut te zijn, in de lente maken ze plannen om naar warmere oorden te vertrekken, naar ‘het hart van de zomer’, Majorca of Mexico. Maar voor Modiano is men de gevangene van de plaatsen waar men heeft gewoond en geleefd. Parijs laat zijn prooi niet ontsnappen. Terwijl Roland op een zaterdag in november zijn situationistische theorieën verder uitwerkt op zijn hotelkamer, kiest zijn vriendin voor een radicalere uitweg. Onder de gecombineerde invloed van de cocaïne en haar mystieke lectuur versmelten de paradijzen waarvan zij in de straten van het IXe en bovenaan Montmartre een glimp heeft opgevangen; hun aantrekkingskracht wordt haar fataal. De lange, moeilijke reis van de dichter van de Divina Commedia eindigt met een verblindend visioen; die van Jacqueline daarentegen loopt uit op een sprong in de leegte, een visioen van het Niets. Ze maakt een einde aan haar leven op een manier die al door haar omzwervingen op Montmartre is aangekondigd.

Hartstocht en tijd

De Parijse topografie vormt het stramien van het universum van Modiano. In de verhalen die hij op dat stramien schrijft, functioneren bepaalde plaatsen als uitgangspunt voor interpretatie. Modiano’s personages lijken op goed geluk door Parijs te dolen, helemaal in overeenstemming met de theorie van de dérive van de situationisten, maar als men hun zwerftochten reconstrueert op een plattegrond van de stad, dan blijken deze heel precies geprogrammeerd te zijn, als een rondleiding langs publieke en persoonlijke plaatsen van herinnering. Dank zij hun historische, autobiografische en literaire lading laten de namen van pleinen, straten, metrostations, buurten en kerkhoven iets zien van wat de personages beweegt.

In Dans le café de la jeunesse perdue geeft de parallel met de Divina Commedia een nieuwe betekenis aan de ruimten die Modiano’s figuren sinds La Place de l’Etoile, zijn debuutroman uit 1968, al zo vaak doorkruist hebben. Twee verschillende beelden schuiven daarbij over elkaar heen: een middeleeuwse voorstelling van het hiernamaals over die van een door de oorlog moreel geschonden twintigste-eeuwse stad. Onder en achter de lichtstad blijkt een tweede, duistere metropool schuil te gaan, en zo wordt Parijs het toneel voor tochten die gemodelleerd zijn naar de reis van de dichter-verteller in de Divina Commedia. Ze leiden van het Voorgeborchte en de Hel naar de Louteringsberg, en voor Jacqueline naar het ‘Paradijs’. Deze parallel introduceert een element dat nieuw is in het werk van Modiano. Jacqueline, de vrouw wier raadsel de mannelijke vertellers proberen te ontsluieren, is ongrijpbaar door haar streven naar een ideaal dat haar verteert en aan de gloed waarvan de anderen zich branden.

Lange tijd na de dood van Jacqueline loopt Roland door de straat die dwars door het kerkhof van Montparnasse voert en hem vroeger naar het hotel van Jacqueline bracht. Hij richt zich tot de gestorven geliefde, zijn Beatrice:

Even had ik de illusie dat ik je aan de andere kant van het kerkhof terug zou vinden. Daar zou de Eeuwige Wederkeer beginnen. Met hetzelfde gebaar als vroeger zou je bij de receptie de sleutel van je kamer pakken. Dezelfde steile trap. Dezelfde witte deur met het nummer 11. Dezelfde verwachting. En dan dezelfde mond, hetzelfde parfum en dezelfde in een donkere golf neervallende haren.7

Deze korte passage illustreert Modiano’s subtiele meesterschap. De apostrofe, waarin de geliefde niet meer met de derde persoon wordt aangeduid maar met ‘jij’ wordt aangesproken, is totaal onverwacht en ontroert juist daardoor. De opsomming van concrete details is niet alleen beeldend en geraffineerd, maar bevat ook een bedekte toespeling op de diverse stadia in de geestelijke opgang van de ziel tot God die door Dante worden beschreven. Mooi terughoudend is ten slotte de suggestie van lichamelijk geluk waarin impliciet afstand wordt genomen van de ontknoping van de Divina Commedia.

Een naoorlogse twintigste-eeuwse schrijver zoals Modiano kan zich zonder enige moeite verplaatsen in Dantes helletocht, maar het geloof in de verwezenlijking van diens spirituele ideaal ligt in een ontkerstende en hedonistische wereld minder voor de hand. Jacqueline en Roland staan beiden symbool voor het idealisme van een generatie die zich afkeerde van het materialisme van de consumptiemaatschappij, maar al gauw bij gebrek aan een duidelijk omlijnd doel in het labyrint van bedrieglijke oplossingen – drank, drugs, esoterisme - de weg kwijtraakte. Zij vertegenwoordigen ‘de stralende jeugd van Saint-Germain-des-Prés’, de jeunesse perdue waarvan de hartstocht werd meegevoerd en uitgedoofd door het water van de tijd.

Noten

1. Een eerdere Franstalige versie van dit artikel verscheen in Relief (Revue électronique de littérature française), no 2 (‘Paris, lieu de mémoire’), maart 2008 (http:// www.revue-relief.org), p.1-21. 2. Patrick Modiano, Dans le café de la jeunesse perdue, Parijs, Gallimard, 2007. De Nederlandse vertaling (Maarten Elzinga) verscheen in oktober 2008. De citaten uit Modiano’s tekst zijn in de vertaling van Elzinga weergegeven. 3. Guy Debord, Oeuvres, Parijs, Gallimard, Quarto, 2006. Zie voor de filmtekst van In Girum... en bijbehorende documentatie p.1334-1454. 4. Debord 2006, p. 1410-12. ‘The Charge of the Light Brigade’, beroemd gedicht van Alfred Lord Tennyson (1854), over de heldhaftige en desperate aanval van een Engelse brigade op Russische stellingen tijdens de Krimoorlog. Debord verwijst met de titel van dit gedicht naar tien jaar actie van de Internationale situationniste. 5. Zie hierover ook Modiano’s commentaar in Dora Bruder (Gallimard 1997, p. 100- 101). 6. De discretie van Caisley is vergelijkbaar met de terughoudendheid waarmee de ik-verteller, het alter ego van Modiano, in Dora Bruder de geschiedenis benadert van het joodse meisje Dora, dat in 1941 als minderjarige het huis van haar ouders verlaat, zoals Jacqueline op de vlucht voor een onbestemde dreiging. 7. Hoe gelaagd Modiano’s teksten zijn, blijkt ook weer uit dit citaat: ‘De eeuwige wederkeer’ (L’éternel retour) verwijst niet alleen naar Nietzsche’s opvattingen over tijd en wereld maar ook naar de titel van een van de grootste filmsuccessen uit de bezettingsjaren (1943), een moderne versie van het Tristan en Isolde verhaal van de onlangs overleden regisseur Jean Delannoy.

3 reacties >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 <2010 < 2020
 
2001 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009
 
Nr.422 Nr.423 Nr.424 Nr.425 Nr.426
 
intro / Modiano / voorproeven / Melle
 
Berr
  1
 
425/Modiano