vrijheid van meningsuiting

Vrijheid van meningsuiting in historisch en taalkundig perspectief

door W.I.M. van Calcar

 

In het huidig tijdsbestel hebben emoties het gewonnen van het gezond verstand en verliest gemeenschapszin het van het ego van de burger. Om ons goed te voelen leggen we bloemen of lopen mee in stille tochten, ook als we het slachtoffer niet of nauwelijks kennen. Demonstraties zoals in het voorjaar van 2011 allerwegen in het Midden-Oosten te zien, zijn in ons land een onbekend fenomeen geworden. Bombardementen waarvan Irakese en  Afghaanse burgers slachtoffer zijn, martelingen door soldaten van de V.S., Guantanamo Bay of de Berlijnse muur opgetrokken op Palestijns gebied doen ons niet meer massaal de straat opgaan, zoals dat ooit het geval is geweest  in corresponderende situaties uit de 60-er en 70-er jaren van de vorige eeuw. We blijven tegenwoordig dichter bij huis en kiezen voor de individuele emotie. In het verlengde hiervan nemen we in de openbare ruimte het recht in eigen handen, eisen respect voor onszelf op, ook als we daar niets tegenover stellen en kennen wel onze rechten, maar niet onze plichten. Het is begrijpelijk, dat tegen deze achtergrond het recht op een vrije meningsuiting opgerekt is tot het recht om alles te mogen zeggen. Wanneer we in de openbare ruimte al van alles doen wat god of gebod verboden heeft, dan kunnen we ons toch helemaal laten gaan wanneer we ergens recht op hebben. Het is wel eens anders geweest.

Een lange weg

Al snel na de uitvinding van de boekdrukkunst (1450) troffen de autoritaire vorsten van Europa in nauwe samenwerking met de Rooms-katholieke Kerk preventieve en repressieve maatregelen die de onbeperkte verspreiding van gedachten en meningen moesten voorkomen of tegengaan, wat overigens niet  verhinderde dat  allerlei geschriften illegaal verschenen.

Vanaf het midden van de 17e eeuw  dringen schrijvers in Engeland aan op vrijheid van drukpers, zoals John Milton in zijn Areopagitica (1644).  Pas aan het eind van de 18e eeuw was Engeland zo ver, dat haar burgers zonder voorafgaand verlof mochten publiceren, al moesten zij nog altijd afwachten, wat de autoriteiten ervan vonden. Overigens wilde Milton de vrijheid die hij verlangde, niet aan iedereen toestaan, evenmin als die andere verdediger van de persvrijheid, de filosoof John Locke. Ze zullen niet de enigen zijn. Marat en Robespierre, die een eeuw later in Frankrijk een onbeperkte vrijheid van drukpers opeisen, ontzeggen die hun tegenstanders. Dat deed ook  Voltaire, die in de discussies over het recht op een vrije mening zo graag  als de nobele verdediger aangehaald wordt.1 Hetzelfde zien we in de V.S. bij  een andere verdediger van burgerlijke vrijheden, Thomas Jefferson, de derde president van  de V.S. (1801).  Vrijheid van meningsuiting was voor hen kennelijk toch niet in handen van iedereen een groot goed. 

De roep om persvrijheid in Engeland begonnen vindt zijn voorlopig beslag in een van de verenigde staten van Amerika, Virginia. In de Bill of Rights die haar constitutie van 1766 voorafging, noemt het 12e artikel de persvrijheid een bolwerk van de vrijheid.2  De Franse Declaration des droits de l’Homme et du Citoyen van 1789, die de constitutie van Virginia  tot voorbeeld neemt, is uitgesprokener. Ze legt het recht vast van  vrije communicatie van gedachten en ideeën en stelt dat elke burger dus vrijuit kan praten,schrijven en drukken, behoudens misbruik zoals bepaald door de wet. 3 Deze formulering zou vanaf dan leiddraad zijn voor een soortgelijk artikel in constituties van andere landen. De trend was gezet. De Verklaring van de rechten van mens en burger had wel tot gevolg, dat er een vloed van geschriften op de markt kwam vol laster en zelfs met oproep tot geweld en moord!4

Met de Franse Declaration van 1789 was het pleit niet definitief beslist. Ook daarna proberen vorsten en regeringen in Europa beperkingen op te leggen op wat men schrijven of zeggen mag. De strijd voor vrijheid van drukpers zal in de 19e eeuw doorgaan als begeleidend verschijnsel van de strijd om politieke vrijheid. Het lot van beide vrijheden was met elkaar verbonden: men had het ene nodig om het andere te bepleiten. Zodra de strijd om de politieke vrijheid beslist was, kreeg de strijd voor vrijheid van drukpers een andere inhoud en een ander gewicht. In het geding kwam de macht over de massamedia, nieuwsgaring en nieuwsvoorziening, een macht die de drukpersvrijheid de facto kan beperken of zelfs opheffen, wanneer de massamedia in één hand komen (Murdoch, Berlusconi). Met de verwerving van politieke vrijheid is de discussie over de vrijheid  van meningsuiting bovendien een zaak geworden die zich afspeelt tussen burgers, eerder dan tussen burger en staat,  een discussie die ten slotte uitgelopen is op de eis: ik moet alles kunnen zeggen.

De eis van vrijheid van meningsuiting is van het begin af aan met redenen omkleed geweest. De vrijheid diende ergens voor. De meest radicale verdediging van de vrijheid van meningsuiting vóór 1800 is van de hand van twee auteurs die schuil gaan onder de naam van  Cato, de Amerikanen John Trenchard en William Gordon. In hun Cato’s Letters (1733-1755), een van de meest  populaire en geachte bronnen van politieke ideeën in het Amerika van die tijd, betogen zij dat wijsheid niet bestaan kan,  evenmin als vrijheid in het openbare leven zonder vrijheid van meningsuiting.5

John Stuart Mill , een van de meest invloedrijke Engelse filosofen van de 19e eeuw, pleit in zijn On Liberty (1859) voor een vrije markt van ideeën. In dat geval zal de waarheid als vanzelf naar boven komen drijven.In de Encyclopédie van Diderot en d’Alembert, het handboek van de Verlichting, lezen we, dat bijgeloof en barbarij op de loer liggen, wanneer er geen vrijheid van meningsuiting is.7 Comte de Mirabeau die Milton bewerkte8 , betoogt in dezelfde lijn, dat men in Engeland in voorspoed leeft dankzij de vrijheid van drukpers aldaar en ook voor hem wordt uit de botsing der meningen de waarheid geboren. In zijn stadhouderlijk bericht aan de Hollandse patriotten eind 18e eeuw  keert deze opvatting terug.9

Waarheid was dus het doel, vrijheid van drukpers het middel. Het ligt dan ook in de rede, dat de Franse filosofen van de 18e eeuw  zich ergerden aan  de onbenulligheid van veel kranten, daar geen goed woord voor overhadden en  niet schroomden om bepaalde geschriften te laten verbieden.10 In dat licht moet men ook de pleidooien van bv. Milton en Locke zien: ze willen waarheid (wel bij voorkeur hun waarheid).

Gezien het gestelde doel is het niet toevallig, dat inartikel 11 van de Déclaration de termen gedachten en meningen gebruikt worden, wat ook al het geval was tijdens de discussies in de Assemblée Nationale,  die aan de vaststelling van de Déclaration vooraf gingen. De discussies werden gevoerd op basis van de voorstellen van de gedeputeerden La Fayette en  Sieyés,  en  van het zogenaamde 6e bureau (de gedeputeerden waren in 30 bureaus onderverdeeld)  waarin de volgende termen figureerden:

La Fayette: la liberté des opinions

Sieyés: pensées et sentiments

6e bureau: la libre communication des pénsées

In wijzigingen die in de discussies voorgesteld werden,  zien we dezelfde formuleringen gebruikt: libre exercice de ses pensées, manifester ses opinions, la libre communication des pensées et des  opinions.11

Een mening houdt onzekerheid in, twijfel, subjectiviteit en  staat tegenover wetenschappelijke kennis, die kracht van waarheid heeft. Dat lezen we in de Encyclopédie van Diderot et d’Alembert. Een mening vraagt dan ook om argumentatie, aangezien de juistheid ervan betwijfeld moet worden.12   Voor de tweede term, gedachte geldt hetzelfde.13 De Franse formulering zal terugkeren in internationale wetgeving.14

Zo zegt het Europees Verdrag van de rechten van de mens uit 1950 in artikel 10: een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken.  Het U.N. Covenant spreekt in artikel 19 van het recht van een mening te hebben; het recht van vrijheid van zich te uiten, wat insluit het recht informatie te verzamelen. De Europese Conventie ten slotte gebruikt in artikel 10 bijna dezelfde woorden: het recht zich vrij te uiten, wat inhoudt de vrijheid een mening te hebben en informatie te delen of te ontvangen.

 Een derde term, die door Sieyés gebruikt wordt, gevoelen, vinden we met voorkeur boven de andere twee, gedachte en mening, terug in de constituties die binnen de Nederlanden opgesteld worden.15

In de discussie voorafgaand aan het Ontwerp van 1797 voor een constitutie van de Bataafsche Republiek is zowel sprake van gedachten en begrippen,  als van gedachten, begrippen of gevoelens. In artikel 6 van het Ontwerp zelf zien we er twee van terug: gedachten en gevoelens, maar al een jaar later blijven in de Staatsregeling  van 1798 de gevoelens over: iedere burger  mag zijn gevoelens uiten en verspreiden zolang niet strijdig met het oogmerk der Maatschappij. De Staatsregeling van 1801 heeft dezelfde bewoording. De Nederlandse Grondwet van 1815 artikel 227 gebruikt weer de term gedachten en bevat ook het motief: het spreekt van het openbaren van  gedachten en gevoelens door de drukpers als zijnde een doelmatig middel tot uitbreiding van kennis en voortgang van verlichting. Ook de Grondwet van 1848 artikel 8 (later 7) en de Grondwet van  1983 spreekt van het openbaren van  gedachten en gevoelens.

Het zou echter onjuist zijn gevoelen te lezen als gevoel of emotie. In de 18e en 19e eeuw werd gevoelen gebruikt in de betekenis van oordeel of mening en vraagt als zodanig om argumentatie, aangezien ze waarheid ontbeert.16 Ook in het hedendaags Nederlands heeft  gevoelen volgens Van Dale nog die betekenis.

 

 Wat vergeten is

Het recht op vrijheid van meningsuiting is met pijn en moeite bevochten op de autoritaire regeringen van het Europa van de 17e, 18e en 19e eeuw. Doel was het streven naar waarheid en voorspoed. Het middel: vrije communicatie van  meningen, gedachten en gevoelens in de betekenis van oordelen of meningen. Meningen vragen om argumentatie omdat ze niet bij voorbaat juist of waar zijn. Van het begin af aan was men zich ervan bewust, dat van deze vrijheid misbruik gemaakt kon worden voor haat, smaad, belediging, schennis, lastering enz. 

Dat alles lijkt in deze tijd vergeten. De huidige burger eist het recht op van alles te kunnen zeggen, zonder zich zorgen te hoeven maken over enigerlei misbruik.  Het verlangen naar waarheid dat in de discussie over de vrijheid van meningsuiting sinds de 17e eeuw een rol gespeeld heeft, is zo goed als verdwenen, eveneens het inzicht dat een mening zonder argumentatie geen mening is, zoals de Encyclopédie van Diderot en d’Alembert ons leert.  Dit mag bevreemding wekken omdat de verdediging van het recht op een vrije meningsuiting met een beroep op waarheidsvinding, in het besef dat elke mening argumentatie behoeft, niet een toevallige is geweest.  Dit beroep vloeit voort uit de aard van het taalgebruik zelf, zoals ik in het vervolg zal laten zien.

 Een taalkundige benadering17                                                                          

De Nationale Vergadering van de Bataafsche republiek, de eerste Nederlandse volksvertegenwoordiging, kwam  op 1 maart 1796 voor de eerste maal in zitting bijeen. In de beraadslagingen rond het Ontwerp van Constitutie van 1797 keert een van de afgevaardigden zich tegen enige beperking van de vrijheid van meningsuiting. Zijn argument: het gaat niet om het werktuig waarmee een daad verricht wordt,  dus om de taal- of meningsuiting zelf, maar om de daad  die ermee wordt uitgevoerd.  “Is die daad beledigend, dan is die daad altoos een voorwerp der wet.” 18 Deze uitspraak uit 1796 raakt de kern van de zaak, wanneer het gaat om vrijheid van meningsuiting.

Zowel menen als zijn mening uiten drukken gelijkelijk handelingen uit, die een mens verricht, maar de aard van beide handelingen verschilt. De eerste is een denkhandeling. Wanneer iemand een mening vormt, denkt hij.  Hij is  rationeel bezig. Wanneer hij vervolgens zijn  mening uit, hoort een ander wat hij in gedachten heeft en op hetzelfde moment verandert het plaatje.  De meningsuiting is een taalhandeling en heeft een doel, bijvoorbeeld kritiek leveren.  Terwijl een denkhandeling plaats heeft in de hersenen, speelt een taalhandeling  zich altijd tussen twee mensen af: iemand wíl iets van een ander, bijvoorbeeld hem overtuigen van de juistheid van zijn gedachten of hem kritiseren. Een mens kan en mag denken wat hij wil, een rechter zal daar in een rechtstaat nooit aan te pas komen, zo lang hij alleen maar denkt: gedachten zijn vrij.   Het uiten van een mening is niet bij voorbaat vrij, omdat daar anderen bij betrokken zijn en in een rechtsstaat het verkeer met deze anderen aan wetten gebonden is.

Over de rechtmatigheid van het  leveren van kritiek doet de wet geen uitspraak. Daar zit dan ook niet het probleem in de discussie over de vrijheid van meningsuiting, die met de hernieuwde verschijning van de Islam in de Westerse wereld weer hoogst actueel geworden is19.  Het probleem zit in een vierde term  beledigen die in de discussie naar voren komt, en termen die daarmee verband houden, zoals smaden, haat zaaien, discrimineren.  Het bijzondere van bijvoorbeeld beledigen vormt, dat het geen aparte, op zichzelf staande handeling is, maar het resultaat van een (taal)handeling, te weten de meningsuiting.  Iemand kan nooit (zonder komisch effect) tegen een ander zeggen: ik ga je eens even beledigen. Beledigen is altijd de uitkomst, het mogelijk effect van wat iemand zegt.  (Dit wordt duidelijk in een vergelijking met de materiële tegenhanger  slaan en kwetsen.  Als ik iemand lichamelijk wil kwetsen moet ik hem eerst slaan: kwetsen is zelf geen handeling, maar een gevolg van een handeling.) Dus, wanneer iemand iets zegt, kan zijn uiting de vorm aannemen van een kritiek en deze kritiek kan op een ander beledigend overkomen.  Om dat laatste gaat het. Zo is het geen probleem dat de mening van Geert Wilders over de koran, de islam en de moslims  een vorm van kritiek is, maar wel dat deze kritiek opgevat kan worden als een belediging die de grens van de wet mogelijk overschrijdt, of als een vorm van haatzaaien zoals de inzet was van het proces onlangs tegen hem gevoerd.  In de discussies worden de twee, kritiek en beledigen, veelal zonder onderscheid naast elkaar gezet en lijkt het, dat wie iets tegen beledigen  (kwetsen of krenken) heeft, óók kritiek afwijst.  Zie bijv. Mark Rutte en Atzo Nicolaï in  de NRC van 21 februari 2009.  “Door het begrip belediging in de wet op te rekken, wordt geprobeerd groepen die zich snel beledigd voelen te beschermen tegen hun onwelgevallige meningen (vrijwaren van kwetsende meningen.) … Daar komt bij: pogen mensen te beschermen tegen kritiek, maakt ze mínder weerbaar, niet meer. “

Al kan een meningsuiting het effect van een belediging hebben, omgekeerd is niet elke belediging ook meteen gevolg van de uiting van een mening. Naast de meningsuiting bestaat de gevoelsuiting: uiting van wat ik denk tegenover uiting van wat ik voel. Met schelden bijvoorbeeld (iemand krenkende namen of honende woorden toevoegen) uit iemand eerder zijn gevoel dan dat hij een mening geeft. Het denken wordt verbonden met redeneren en argumenteren, het gevoel met het onberedeneerde,  de uitbarsting, het ongecontroleerde. Gevoelsuitingen hebben o.a. de vorm van een uitroep zoals: 

Geteisem! Fascist! Klootzak!

Gvd!

Lazer op!

Krijg de klere!

Stop het gezwel dat Islam heet (Volkskrant 11 maart 2009)

Men kiest voor deze uitdrukkingsvorm, omdat men zich bij voorbaat van  zijn gelijk overtuigd weet, dus geen behoefte aan (tegen)argumentatie heeft, deze niet wenst te geven noch te ontvangen.  Wie op deze manier zijn gevoel uit, kan niet verdedigd worden op basis van het beginsel van vrijheid van meningsuiting. Hij uit geen mening, eenvoudig omdat hij alleen maar roept. De enige verdediging die ik zie, is dat men zich beroept op het recht op schelden/ de vrijheid tot schelden of meer in het algemeen: de vrijheid van gevoelsuiting. Miskenning van het verschil tussen die twee leidt tot devaluatie van de eerste.  Met spijt moet ik dan ook constateren, dat  degenen die zo vurig de vrijheid van meningsuiting bepleiten, nooit betogen dat verantwoording onlosmakelijk met die vrijheid verbonden is. Of: dat argumentatie een uiting pas tot een mening maakt, zoals de Verlichting ons leert.

Ook cartoons waarin de spot met iemand of iets gedreven wordt en in het algemeen de satire reken ik tot gevoelsuitingen. Ik denk aan de cartoons van Kurt Westergaard die Mohammed afbeeldde met een bom in zijn tulband, de Vara-cartoon waarin de TROS-presentator Ron Boszhard afgebeeld werd als Mladic, de cartoon van het Rotterdams Dagblad die Neelie Kroes als een prostituee presenteerde, de column van Metro-journalist Luuk Koelman die Gretta Duisenberg neerzette als een groupie op zoek naar intiem contact met Yasser Arafat of een Amsterdamse poster waarop premier Balkenende te zien in was met een  onbekende vrouw in een compromitterende pose (NRC Handelsblad 15 juni 2011). Kenmerk van spot of satire is juist, dat de lezer of luisteraar niet meer overtuigd hoeft te worden, maar in zijn gelijk bevestigd wordt, zodat hij eens hartelijk kan lachen of gniffelen en met voldoening constateren dat de vijand mooi is weggezet, terwijl de aangesprokene zelf door de aard van de tekstsoort niet in staat gesteld wordt, zich met redelijke argumenten te verweren. Dit verklaart, waarom iemand voor de satire kiest: hij hoeft zijn standpunt niet te verdedigen,  richt zich onmiddellijk op het gevoel van zowel zijn mede- als van zijn tegenstander en heeft zelf even heerlijk zijn gemoed gelucht door iemand in het hart te raken. Ofwel, hij kiest voor de kortste weg. 

Volgt hieruit, dat bijv. een  cabaretier wel alles mag zeggen wat hij wil? Nee. Mutatis mutandis geldt ook hier de uitspraak van de Bataafsche volksvertegenwoordiger van 1796: enige beperking van de vrijheid van gevoelsuiting hoeft in de wet niet vastgelegd  te worden; is de gevoelsuiting beledigend, dan is die altoos een voorwerp der wet.

In al het maatschappelijk leven leggen wij onszelf beperkingen op.  Wanneer we praten, hoeven we ons volgens de huidige pleiters van de vrijheid van meningsuiting niet in acht te nemen. We zeggen wat we willen in plaats van rekening te houden met het mogelijk effect van ons taalhandelen.  Ik constateer, dat deze inachtneming ook op ander terrein steeds minder beoefend wordt: luid scheldende mannen en vrouwen wanneer een medeburger iets doet wat  niet bevalt, opsteken van de middelvinger om al dan niet terecht ongenoegen te uiten, een pak slaag wanneer een opmerking gemaakt wordt die de aangesprokene onwelgevallig is.  Wanneer ik dit in openbare debatten aan de kaak stel, krijg ik algemeen bijval. Maar zodra het gaat om vergelijkbaar gedrag in taalgebruik, spreken de verdedigers van vrijheid van meningsuiting van zelfcensuur. Ik  zou niet meer voor mijn mening durven uitkomen. Zo wilde Wouter Bos in zijn pleidooi voor polarisatie, een debat op het scherpst van de snede zoals hij het formuleerde, de neiging tot zelfcensuur veroordeeld en ontmoedigd zien (Volkskrant  van 4 maart 2009), zonder zich af te vragen waar de zelfcensuur betrekking op had: op de mening als zodanig, op de formulering of op het ontbreken van argumenten.

Onbegrip komt onder beste politici voor, zoals het volgende citaat uit het eerder geciteerd artikel van Mark Rutte en Atzo Nicolaï in NRC Handelsblad illustreert. De lezer zal in de eerste twee zinnen het pleidooi van John Stuart Mill terugvinden, maar zijn woorden zijn door de schrijvers niet helemaal begrepen, gezien wat ze daarop laten volgen.

“Vrijheid van meningsuiting is de basis waarop, of beter, de methode waarmee we onze samenleving ontwikkelen. Om vooruit te komen, zullen ideeën voortdurend moeten worden getest en beproefd. Er zijn op dit moment al columnisten en cabaretiers die hebben aangegeven dat ze uit angst voor represailles niet alles zeggen wat ze zouden willen.” (curs. vC). 

Wie bepleit dat iedereen kan zeggen wat hij wil, bepleit  de opheffing van elke beperking aan het (taal)gedrag van de burger. Misschien wil liberale politici als Rutte en Nicolaï zo ver gaan, maar zij kunnen zich met dit pleidooi per definitie niet beroepen op de vrijheid van meningsuiting, zo nodig wel op de vrijheid van uiting van het gevoel. De laatste vrijheid houdt in, dat  de taalgebruiker zich niet hoeft te verantwoorden voor het effect van zijn handelen.  Een meningsuiting impliceert die verantwoording wel.

 

 

Voetnoten

 

1. "Je ne suis pas d’accord avec ce que vous dites, mais je me battrai jusqu’à la mort pour que vous ayez le droit de le dire." De tekst komt niet van Voltaire, maar van een van zijn biografen. Zie Wikipedia onder het lemma Evelyn Beatrice Hall.

 

2. “That the freedom of the press is one of the greatest bulwarks of liberty and can never be restrained but by despotic governments.”

 

3. “La libre communication des pensées et des opinions est un des droits les plus précieux de l’homme; tout citoyen peut donc parler, écrire, imprimer librement, sauf a répondre de l’abus de cette liberté dans les cas déterminés par la loi.”

 

4. Voor deze korte schets heb ik gebruik gemaakt van J.M. de Mey, De vrije informatiestroom in grondwettelijk perspectief 1996, blz. 16 e.v.; Claude Bellanger e.a., Histoire générale de la presse Française I 1969, blz. 162 e.v.; blz. 501 e.v..

 

5. ”Without freedom of thought, there can be no such thing as wisdom; and no such thing as public liberty.” (citaat uit L. W. Levy, Legacy of suppression 1960, blz. 116.)

 

6. “Secondly, though the silenced opinion be an error, it may, and very commonly does, contain a portion of truth; and since the general or prevailing opinion on any subject is rarely or never the whole truth, it is only by the collision of adverse opinions that the remainder of the truth has any chance of being supplied.”  On Liberty 1869 4th ed, blz. 42.

 

7. “En general, tout pays ou il n’est pas permis de penser et d’ecrire ses pensees, doit necessairement tomber dans la stupidité, la superstition et la barbarie.”    Encyclopédie deel IX p. 459 (ed. or). Article Libelle. Zie ook Histoire générale p. 166; 407).

 

8. Comte de Mirabeau, Sur la liberté de la presse 1789, p. 39 e.v..

 

9. “C’est la liberté de la presse qui est le palladium des toutes libertés.” Ze zorgt ervoor, dat de staat zich vernieuwt en rijpt (Aux Bataves sur le  Stathoudérat 1788, p. 83). Cf. De Mey 1975, blz. 23.

 

10. Histoire générale p. 167-8.

 

11. Histoire générale p. 429-431.

 

12.  ”Opinion, opinio … est un mot qui signifie une créance fondée sur un motif probable, ou un jugement de l’esprit douteux & incertain. L’opinion est mieux définie, le consentement que l’esprit donne aux propositions qui ne lui paroissent pas varies au premier coup- d’œil, ou qui ne se déguisent pas par une conséquence nécessaire de celles qui portent en elles l’empreinte de la vérité. ….en même tems de la certitude & de l’incertitude, puisque sans certitude il n’y auroit point de science, & sans incertitude point d’opinion.”  Encyclopédie, deel 11, blz. 506-507.    

 

                                                                                                                                                                                                           13. “La premiere qualité logique essentielle de la pensée, c’est qu’elle soit vraie, c’est-à-dire, qu’elle représente la chose telle qu’elle est. Encyclopédie deel 12, p. 309. In deel 9, p. 472 heet het: “La véritable liberté de penser tient l’esprit en garde contre les préjugés & la précipitation.”   

          

14. De Mey 1996, p. 19 e.v..

 

15. Idem.  

 

16.  Sentiment, Avis, Opinion, (Synonym.) il y a un sens général, qui rend ces mots synonymes, lorsqu’il est question de conseiller ou de juger; mais le premier a plus de rapport á la délibération, on dit, son sentiment; le second en a davantage a la décision, on donne son avis; le troisième en a un particulier á la formalité de judicature, on va aux opinions.  Encyclopédie deel 15, p57 .  In deel 12, p. 309 komen  de drie termen te zamen voor. Pensée, Sentiment, Opinion, (Synon. Gram.) Ils sont tous les trois d’usage lorsqu’il ne s’agit que de la simple énonciation de ses idées : en ce sens, le sentiment est le plus certain ; c’est une croyance qu’on a par des raisons ou solides ou apparentes. L’opinion est la plus douteuse ; c’est un jugement qu’on fait avec quelque fondement. La pensée est moins fixe & moins assurée, elle tient de la conjecture. On dit rejetter & soutenir un sentiment, attaquer & défendre une opinion, desapprouver & justifier une pensée.                                                                                                           

 

17. Zie voor de onderliggende theorie van deze benadering: J.R. Searle, Speech acts. An essay in the philosophy of language. Cambridge 1969. F. H. Van Eemeren en R. Grootendorst, Regels voor redelijke discussies. Dordrecht: Foris 1982. W.I.M. van Calcar, Totalitair         taalgebruik. Taalbeschouwing over fascisme, totalitarisme en discriminatie. Leuven/Amersfoort: Acco 1990.

 

18. Het Ontwerp van Constitutie van 1797. De behandeling van het Plan van Constitutie in de Nationale Vergadering. Met een facsimile uitgave van het Ontwerp van Constitutie Dl.

1: 10 november 1796-10 april 1797. Bewerkt door L. De Gou. ’s Gravenhage 1983, blz. 730.

 

19. Wat Nederland betreft zijn vier bekende namen in deze discussie Ferdinand Domela Nieuwenhuis die in 1887 voor een half jaar de gevangenis in ging wegens majesteitsschennis, W.F.Hermans , in 1951 aangeklaagd wegens belediging van het katholiek volksdeel,  G.K. van het Reve die wegens godslastering voor het gerecht moest verschijnen(beiden werden vrijgesproken) en Hans Janmaat, tussen 1994 en 1999 herhaalde malen veroordeeld wegens rassendiscriminatie.

 

 

 

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
 
Nr.442 Nr.443 Nr.444 Nr.445 Nr.446
 
intro / voorproeven / vrijheid van meningsuiting