intro

In Tirade van september 1972 opvallend veel poëzie. Bijdragen van Kees Winkler, Rogier de Jong en Willem Wilmink. Drie gedichten van Joseph Brodski werden voor dit nummer vertaald door Kees Verheul. Hij schrijft in zijn inleiding over de grote Rus:

'Hij zit nu in Amerika, nog verder dan in de tijd voordat hij van de politie de raad kreeg zijn land te verlaten omdat hij anders 'maatregelen' kon verwachten. Toen waren telefoon-gesprekken met hem tenminste nog betaalbaar. De laatste keren dat ik zijn stem hoorde sprak hij uit Wenen. Hij wist nauwelijks wat er met hem gebeurd was - één keer vertelde hij uitbundig over zijn eerste kennismaking met het Westen en alle publiciteit waarmee hij, de dichter van wiens werk in Rusland niet meer dan een paar regeltjes gepubliceerd waren, nu plotseling werd omringd; maar verder was hij somber en vol van een soort stille en wanhopige razernij. Op de ansichtkaart die hij me uit Londen vlak voor zijn vertrek naar Amerika stuurde stond onder andere: 'als ik je serieus wil zeggen hoe het met mij gaat moet ik schrijven dat ik dood ben; niet serieus geformuleerd is mijn situatie zo dat ik een aanstelling heb gekregen als poet in residence in Ann Arbor'.

 

Een indringend verhaal omtrent de literaire nalatenschap, overgenomen uit 'de bode van de Russische Christen Studentenbeweging te Parijs' en geschreven door Nadjezjda Mandelstam.

'Zullen zij - de al dan niet besnorde, maar altijd gladde minnaars van postume edities - zullen zij de handvol door mij geredde papieren doornemen en uitmaken wat wel en wat niet de moeite van het publiceren waard is, in welke stukken de dichter 'op de hoogte van zijn tijd' is en welke hij beter zou kunnen omwerken? Zullen ze misschien ook nog 'progressiviteit' eisen, afhankelijk van wat op dat moment actueel is en van wat de staat voorschrijft?'

 

L.H. Wiener tenslotte beschrijft in 'Meëters zijn welkom'  de warme relatie tussen man en teek.

'Mijn eerste reactie was natuurlijk hem van mijn arm te schrapen en dood te maken. Dat zou toch de reactie zijn van ieder normaal Nederlands staatsburger. Maar op datzelfde moment realiseerde ik me dat ik eigenlijk voor een zeer moeilijke beslissing stond. Toegegeven, een teek is ongedierte. Teken kan men zo ongeveer beschouwen als het schoelje onder de insecten. Het zijn zonder twijfel insecten van een laag allooi. Maar aan de andere kant: hier was nu eindelijk eens een wezen dat zich aan mij hechtte en niet andersom en dat uitkwam voor wat het was. Een wezentje dat mij - in zekere zin - nodig had. Een uitzuigertje, zo men wil, maar dan een dat zich ook als zodanig presenteerde en zich niet anders voordeed. In feite bezat dit insect de eigenschap die ik tot dan toe nog nergens had waargenomen en tevergeefs had gezocht. En moest uitgerekend ik dat nu verdelgen?'

 

Reageer >
 

< 1960 < 1970 <1980 < 1990 < 2000 < 2010 < 2020
 
1970 1971 1972 1977 1978 1979
 
Nr.179
 
intro / inhoud / voorproeven
 
 
179/intro