intro

Een zeer mooi interview van Jaap Goedegebuure met W.F. Hermans in dit nummer.  Klik op voorproeven en dan Goedegebuure om de eerste pagina te lezen.  Daarin vertelt Goedegebuure dat Hermans weigerde om het interview te autoriseren, omdat hij niet had aangegeven ‘waar iets is weggelaten’. Het eerste wat hij doet is de schrijver confronteren met een citaat uit Scheppend Nihilisme, waarin het interview wordt getypeerd als ‘een gesprek tussen twee mensen die elkaar nooit eerder hebben gezien, waarbij de een (de interviewer) de ander (de geïnterviewde) vragen stelt die mensen die de geïnterviewde beter kennen hem zo goed als nooit stellen en dikwijls niet eens zouden durven stellen.’ Een interviewer die na deze woorden nog rechtop zit, heeft ruggengraat – zeker een die tegenover Hermans zit. En een interviewer die zélf besluit om met deze woorden het gesprek te openen, is een zelfverzekerd interviewer en een doorgewinterde journalist-criticus. Goedegebuure was dat.

 

In het navolgende is er eerder sprake van een gesprek dan van een interview. En als Hermans voor het eerst aan het woord is, citeert hij Goedegebuure en is het niet andersom. ‘Zoethoudertjes van Hermans,’ had Goedegebuure de boeken genoemd die waren verschenen na Onder Professoren (1975). Het ging nu vermoedelijk om de in 1980 verschenen novellen.

                WFH: ‘Nu moet u zich eens goed voorstellen. Als je dit leest, denk je: die Hermans dat is iemand die heeft gedacht: “[…] Het publiek staat te dringen op de stoep voor een nieuwe roman. Hoe houd ik ze me van het lijf? Weet je wat, ik zal ze eens zoethouden. Ik ga vlug een boekje maken, ik laat het publiceren bij De Bezige Bij, ik zeg: met een flinke leesletter drukken, wordt het goed dik, mooi gebonden bandje eromheen, dan gaat het zestien gulden kosten, en dan zijn ze zoet.” Zo denkt u dus over mij.’

                JG: ‘Of over uw uitgever.’

                WFH: ‘Het is mis. Zo denk je niet over een auteur die je bewondert. En bovendien, hoe kun je nu zo denken over een auteur die al bijna zestig jaar is, een arme oude man?’

 

Hermans gaat door met Goedegebuure citeren. Die had over Onder Professoren geschreven in de Haagse Post: ‘Dat is een boek dat alleen in Groningen gelezen zal worden. Dan gaan de mensen gniffelen en proberen te raden wie er allemaal op de hak genomen worden in dat boek.’

                WFH: ‘Zoals u weet is dat helemaal niet het geval. Dat boek wordt ook veel buiten Groningen gelezen.’

                JG: ‘Ik zeg ook niet dat het alleen in Groningen gelezen wordt. Ik zeg dat Groningen duidelijk de achtergrond is waartegen het geplaatst wordt. Het is zonder Groningen niet denkbaar.’

                WFH: ‘Mag dat niet?’

                JG: ‘Natuurlijk mag dat. Ik heb toch ook duidelijk gemaakt dat het als boek wel buiten Groningen komt, dat het op meer dingen betrekking heeft dan alleen in Groningen aanwezig? Leest u het slot van mijn stuk maar even voor.’

                WFH: ‘“Gefixeerd als hij is op Groninger platvloersheid, laat hij er weinig twijfel aan bestaan dat het er buiten Groningen anders aan toe zou gaan.” Waarom is dat nou op Groninger platvloersheid gefixeerd? Dat is natuurlijk helemaal niet waar. U weet natuurlijk dat ik een tijdje in Groningen gewoond heb. Maar het is helemaal niet typisch Gronings.’

                JG: ‘Het speelt toch in Groningen?’

                WFH: ‘Waarom zou ik het op Hawaï moeten laten spelen, waar ik nooit geweest ben?’

 

In het vervolg van het gesprek gaat het over Hermans’ haat-liefde relatie met Nederland waar Ronald Havenaar over geschreven heeft in Muizenhol, over de Weinrebzaak en de King Kong-affaire en ook over de ‘affaire-Buddingh’’ – zie de beschrijvingen van de nummers 137 en 166.

                JG: ‘U heeft ooit gezegd dat u een slecht geschreven boek als een persoonlijke belediging aan uw adres beschouwde.’

                WFH: ‘Dat is wel zo, maar ik heb het heel erg lang geleden gezegd. Ik sta er nog wel achter. Het is niet meer zo dat ik er een hobby van maak mij door ieder slecht geschreven boek te laten beledigen.’

                JG: ‘Behalve af en toe, zoals in het geval van Buddingh’’.

                WFH: ‘In vergelijking met stukken die ik vroeger over voor mij beledigende boeken heb geschreven is dat stuk over Buddingh’ heel aardig. Ik wijs hem alleen op een paar stijl- en drukfouten, verder niet.’

               

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 <1990 < 2000 < 2010 < 2020
 
1980 1981 1982 1983 1985 1988
 
Nr.264 Nr.268
 
intro / inhoud / voorproeven
 
 
268/intro