Berr

Hélène Berr, DAGBOEK 1942 – 1944

voorwoord van Patrick Modiano (vertaling Marianne Kaas, te verschijnen bij de Geus)

Een meisje loopt door Parijs, in 1942. En omdat ze zich in het begin van dat jaar al niet gerust voelde, begreep dat er iets in de lucht hing, begon ze in april een dagboek bij te houden. Sindsdien is er meer dan een halve eeuw verstreken, maar op elke bladzij zijn we in het heden, samen met haar. Haar die zich soms zo eenzaam voelde in het bezette Parijs, haar vergezellen we, dag na dag. Haar stem is zo nabij, in de stilte van dat Parijs … Op de eerste dag, dinsdag 7 april 1942, gaat ze ’s middags op nummer 40 van de rue de Villejust bij de conciërge van Paul Valéry een boek afhalen: ze is zo vermetel geweest om de oude dichter te vragen er een opdracht voor haar in te schrijven. Als ze aanbelt stuift een foxterriër al blaffend op haar af. `Heeft monsieur Valéry misschien een pakje voor me achtergelaten?’ Op het schutblad heeft Valéry geschreven: `Exemplaar van mademoiselle Hélène Berr’, en eronder: `Au réveil, si douce la lumière, et si beau ce bleu vivant.’ ‘ Die hele aprilmaand en ook in mei lijkt het, als we het dagboek van Hélène Berr lezen, of Parijs om haar heen in harmonie is met de regel van Valéry. Hélène gaat naar de Sorbonne, omdat ze bezig is aan een scriptie voor haar studie Engels. Ze verkeert in het gezelschap van een `jongen met grijze ogen’die ze net heeft leren kennen in het Maison des livres in de rue Soufflot, waar ze een cantate van Bach horen, het klarinetconcert van Mozart … Met die jongen en nog andere vrienden loopt ze door het Quartier latin. `De boulevard Saint-Michel badend in zonlicht, vol mensen,’ schrijft ze. `Tussen de rue Soufflot en de boulevard Saint-Germain ben ik in magisch gebied.’ Soms brengt ze een dag door in een buitenhuis in Aubergenville, in de omgeving van Parijs. `Deze dag die van begin tot eind volmaakt was, vanaf de zonsopgang, zo fris en vol beloften, zo stralend, tot aan deze zo zachte en vredige, zo milde avond die me daarnet omhulde toen ik de luiken dichtdeed.’ De wil om gelukkig te zijn, het verlangen zich door de zachte buitenkant van de dingen te laten meevoeren, een temperament dat kunstzinnig is en daarnaast van een grote luciditeit, dat alles is voelbaar aanwezig in de twintigjarige Hélène. Ze is doordrenkt van de Engelse poëzie en literatuur en waarschijnlijk zou ze een schrijfster zijn geworden even fijnzinnig als Katherine Mansfield. Bij het lezen van de eerste vijftig pagina’s van haar dagboek zouden we bijna vergeten in welke gruwelijke tijd ze zich bevindt. En toch, in april loop ze op een donderdag na een college op de Sorbonne met een studievriend door de Jardin du Luxembourg. Aan de rand van de vijver zijn ze blijven staan. Gefascineerd kijkt ze naar de glinsteringen en het kabbelen van het water in de zon, de zeilbootjes van de kinderen en de blauwe lucht – de lucht waarover Paul Valéry spreekt in zijn opdracht. `De Duitsers gaan de oorlog winnen,’ zegt de vriend. “`Maar hoe gaat het er voor ons uitzien, als de Duitsers winnen?` `Ach, alles zal bij het oude blijven. De zon zal er altijd zijn, en het water ook …’ Ik heb mezelf ertoe gedwongen om te zeggen; `Ja, maar ze laten niet iedereen genieten van het licht en het water!’ Gelukkig, die uitspraak redde me, ik wilde niet laf zijn.’” Dat is de eerste keer dat ze aan de donkere tijden waarin ze leeft, aan de beklemming die ze voelt refereert, maar op een zo onnadrukkelijke en zo ingetogen wijze dat we vermoeden hoe eenzaam ze is te midden van die zonnige en onverschillige stad. Aan het einde van dat voorjaar van 1942 loopt ze nog steeds door Parijs, maar het contrast tussen schaduw en licht wordt scherper, de schaduw wint langzamerhand terrein. Juni 1942 betekent voor haar het begin van de beproevingen. Die maandag de 8ste juni zal ze voor het eerst de gele ster dragen. Ze beseft hoe onverenigbaar haar hang naar geluk en harmonie is met de donkerte en de verschrikkelijke disharmonie van het heden. `Het is,’ schrijft ze, `stralend weer, en heel fris … een ochtend zoals de ochtend van Paul Valéry. De eerste dag ook dat ik de gele ster zal dragen. Dat zijn de twee aspecten van het leven zoals het nu is: de frisheid, de schoonheid, de jeugd van het leven belichaamd in deze glasheldere morgen, de barbarij en het kwaad gesymboliseerd door die gele ster.’ Sèvres-Babylone – Quartier latin. Binnenplaats van de Sorbonne. Bibliotheek … Dezelfde routes als altijd. Ze probeert te zien hoe haar vrienden reageren. `Bij allemaal voelde ik verdriet en verbijstering.’ `Laatste rijtuig,’ luidt op het metrostation École militaire het bevel van de controleur; de laatste wagon, de enige waarin degenen die de ster dragen mogen reizen. Ze maakt ons deelgenoot van haar gevoelens: `Ik was vastbesloten de ster niet te dragen. Ik zag dat als een schande en een blijk van gehoorzaamheid aan de Duitse wetten … Vanavond was alles weer anders: ik vind dat het een lafheid is om het niet te doen, tegenover hen die het wél zullen doen.’ En de dag daarop stelt ze zich, in haar eenzaamheid, voor dat iemand haar de vraag stelt: ` Waarom draagt u die ster?’ Haar antwoord luidt: `Omdat ik mijn moed op de proef wil stellen.’ Dan, op 24 juni, brengt ze, zonder ophef, verslag uit van de beproeving waar ze zojuist doorheen is gegaan en die voor haar beslissend zal zijn. `Ik wilde dit gisteravond al schrijven… Vanochtend dwing ik mezelf om het te doen, omdat ik me alles wil herinneren.’ Ze doelt op de arrestatie van haar vader, door de Franse politie uitgeleverd aan het Commissariat Général des Questions juives, bij de Gestapo, vervolgens overgebracht naar het politiebureau om daarna in Drancy te worden geïnterneerd. Reden: zijn ster was niet vast opgenaaid op zijn jasje, maar met behulp van nietjes en drukknopen bevestigd om haar gemakkelijker op al zijn pakken te kunnen aanbrengen. Het blijkt dat op het politiebureau nauwelijks onderscheid wordt gemaakt tussen de `Franse’ Joden en de `buitenlandse’ Joden. Raymond Berr, haar vader, mijnbouwkundig ingenieur, oud-directeur van de firma Kuhlmann, onderscheiden met het militair erekruis en het Legioen van Eer voor verdiensten in de oorlog, en een van de acht personen van zijn `ras’ op wie artikel 8 van de wet van 3 oktober 1940 van toepassing is (`Per bij individuele personen toepasbaar decreet vastgesteld in de Conseil d’État en naar behoren gemotiveerd, zullen de Joden die zich op literair, wetenschappelijk of kunstzinnig gebied buitengewoon verdienstelijk hebben gemaakt voor de Franse staat, kunnen worden ontheven van de verboden zoals vastgelegd in de voorliggende wet’), treft ze aan op een houten bank, bewaakt door politiemensen. Hélène en haar moeder hebben toestemming gekregen om hem te bezoeken. Zijn das, zijn bretels en zijn veters zijn hem afgenomen. `Om ons gerust te stellen vertelde de agent dat het een bevel betrof want gisteren had een gedetineerde een poging gedaan om zich te verhangen.’ Op dat moment heeft zich in Hélène Berrs geest een ruptuur voltrokken tussen het kalme studentenleven dat ze tot dan toe leidde en de aanblik van haar vader die als een misdadiger onder bewaking was gesteld in een smerig lokaal, een broeinest van onheil, op het politiebureau. `Een onoverbrugbare kloof’, schrijft ze. Maar de toon van het dagboek blijft dezelfde, zonder een enkele inzinking, zonder enig pathos. De nog steeds even korte zinnen laten ons zien uit welk hout Hélène is gesneden. Door de internering van haar vader in Drancy wordt ze zich bewust van alles waardoor Parijs in die zomer van 1942 wordt verduisterd en vergiftigd en wat desondanks onzichtbaar blijft voor degenen die worden opgeslokt door hun dagelijkse beslommeringen, of voor hen die maar liever hun ogen sluiten. Maar Hélène houdt ze wijd open. Een meisje dat zo kunstzinnig, zo fijngevoelig is als zij, had haar blik kunnen afwenden in een reflex van zelfbehoud of een gebaar van ontzetting, of zelfs de wijk kunnen nemen naar de vrije zone. Maar zij steekt haar hoofd niet in het zand, en als vanzelfsprekend zet haar gevoel haar aan tot solidariteit met lijden en rampspoed. Op 6 juli 1942 meldt ze zich als vrijwilligster op het hoofdkantoor van de UGIF (Union Générale des Israélites de France) om maatschappelijk werk te gaan doen ten behoeve van de geïnterneerden in kamp Drancy en die in Le Loiret. Elke dag weer zal ze in aanraking komen met de door de arrestaties ontwrichte gezinnen, en direct getuige zijn van alle dagelijks weerkerende verschrikking: het Vél d’Hiv, Drancy en de transporten in goederentreinen die vertrekken van het gare de Bobigny. `U heeft hier niets te zoeken!’ heeft een functionaris van de UGIF tegen haar gezegd. `Als ik u een raad mag geven, ga weg.’ Maar ze blijft. In een impuls vanwaar geen terug mogelijk is, heeft ze een grens overschreden. Haar moed, haar rechtschapenheid, de zuiverheid van haar hart roepen de dichtregel van Rimbaud bij me op: Par délicatesse J’ai perdu ma vie. Ze voorvoelde de noodlottige afloop van haar stap. `Wij leven bij het uur,’ schrijft ze, ‘niet langer bij de week.’ En ook: `Ik verlangde naar boetedoening, waarom weet ik niet.’ Dat herinnert aan de filosofe Simone Weil en sommige bladzijden van het dagboek van Hélène – het dagboek dat ze beschouwt als een brief aan haar vriend Jean, de jongen met de `grijze ogen’ uit het Quartier latin, van wie ze niet eens weet of hij het ooit zal lezen – doen soms denken aan de aangrijpende brieven van Simone Weil aan Antonio Atarès, uit dezelfde periode. Ja, Simone Weil had deze zinnen van Hélène kunnen schrijven: `De vriendschappen die hier, dit jaar, zijn ontstaan, zullen doordrenkt zijn van een oprechtheid, een innigheid en een soort ernstige tederheid waarvan niemand ooit iets zal kunnen weten. Het is een geheim pakt, bezegeld in strijd en beproevingen.’ Maar anders dan Simone Weil staat Hélène Berr open voor het geluk, voor de stralende ochtenden, voor de zonnige avenues van Parijs waar je loopt met degene van wie je houdt, en op de lijst van haar lievelingsboeken komt geen enkele filosoof voor, maar wel dichters en romanciers. Haar dagboek vertoont een onderbreking van negen maanden. Vanaf november 1943 houdt ze het weer regelmatig bij. Haar fraaie, vloeiende handschrift zoals het te zien is in het manuscript, is hoekig en hortend geworden. Niets zo veelzeggend als die aaneengesloten periode van negen maanden durende stilte waaruit we begrijpen hoe loodzwaar alles is wat ze heeft gezien en ervaren. Ze noteert: `Al mijn vriendinnen van kantoor zijn opgepakt.’ Een leidmotief keert steeds terug in wat ze schrijft: `De anderen weten niet …’ `Het onbegrip van de anderen …’ `Ik kan niet spreken, omdat ze me niet zouden geloven …’ `Er zijn te veel dingen waarover je niet kunt spreken …’ En plotseling deze confidentie: `Niemand zal ooit weten door welke verwoestende ervaring ik deze zomer ben heen gegaan.’ En ook: `Op dit moment leven we midden in de geschiedenis. Laten degenen die haar zullen terugbrengen tot woorden … daar maar trots op zijn. Zullen ze weten wat onder één regel van hun verhandeling aan individuele ellende schuilgaat?’ Na die lange stilte is haar stem nog steeds even helder, maar ze klinkt van verder weg, haast van even ver als Etty Hillesum in haar Brieven uit Westerbork. De laatste kring van de hel heeft ze nog niet betreden. Als ze door de stad loopt wordt ze nog steeds ontroerd door geruststellende herkenningstekens die haar vriendschappelijk gezind zijn: het poortje van de Tuilerieën, de bladeren op het water, alle stralende schoonheid van Parijs … Ze gaat naar boekhandel Galignani om Lord Jim en A Sentimental Journey te kopen. Maar steeds vaker begrijpen we ook, uit korte opmerkingen in die richting, dat ze wordt opgeslokt door de zwarte gaten in de stad, de verdoemde zones waarvan de straatnamen terugkeren in haar dagboek. Rue de la Bienfaisance. Daar worden, in hun kantoren, de maatschappelijk werksters opgepakt die haar collega’s waren, evenals haar vriendin Françoise Bernheim. Hélène Berr zal bij toeval aan die razzia ontkomen. Rue Claude-Bernard. Een tehuis voor jonge en opgroeiende kinderen waar de sinistere beambten van de Police aux Questions juives de geconfisqueerde bagage van hen die op transport worden gesteld, doorzoeken en plunderen. Rue Vauquelin. Een opvanghuis voor jonge meisjes die vlak voor de bevrijding van Parijs bij een razzia zullen worden opgepakt en gedeporteerd. Het centrum in de rue Édouard-Nortier, in Neuilly. Hélène komt er vaak om voor de kinderen te zorgen, ze mee uit wandelen te nemen en, wanneer ze ziek zijn, met ze naar het Hôpital des Enfants Malades te gaan, in de rue de Sèvres, of naar het Hôpital Rothschild in de rue de Santerre. Onder hen de kleine Doudou Wajmryb, `met zijn stralende glimlach’, de kleine Odette, de kleine André Kahn, `die ik bij de hand hield – een van mijn kleintjes in Neuilly van wie ik zo houd’, en het jongetje, van 4 jaar, van wie de naam niet eens bekend was … De meesten van hen zullen op 31 juli 1944 worden gedeporteerd. Op een middag heb ik door diezelfde straten gelopen omdat ik beter wilde begrijpen hoe de eenzaamheid van Hélène Berr kan zijn geweest. De rue Claude-Bernard en de rue Vauquelin liggen niet ver van de Jardin du Luxembourg en aan de rand van wat een dichter het `Continent Contrescarpe’ noemde, een soort oase in Parijs, en het laat zich moeilijk indenken dat het kwaad tot daar doorsijpelde. De rue Édouard-Nortier ligt in de nabijheid van het Bois de Boulogne. In 1942 waren er zeker wel middagen waarop de oorlog en de bezetting in die straten ver weg en onwerkelijk leken. Behalve voor een meisje Hélène Berr genaamd, die wist dat ze zich op een dieptepunt van rampspoed en barbarij bevond; maar tegen de vriendelijke en onverschillige voorbijgangers kon ze dat niet zeggen. Dus schreef ze een dagboek. Had ze een vermoeden dat het in de heel verre toekomst zou worden gelezen? Of vreesde ze dat haar stem zou worden gesmoord zoals de stemmen van miljoenen mensen die werden afgeslacht en van wie alle sporen zijn uitgewist? Dit, op de drempel van dit boek, is het moment om te zwijgen, te luisteren naar de stem van Hélène en naast haar voort te lopen. Een stem en een aanwezigheid die ons ons leven lang zal vergezellen.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 <2010 < 2020 < 2030
 
2001 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009
 
Nr.422 Nr.423 Nr.424 Nr.425 Nr.426
 
intro / Modiano / voorproeven / Melle
 
Berr
  1