De dood

18 januari 2020 (10:28) | Menno Hartman | Geen reacties

1001004006191487Ik herinner me het van rond mijn 17e levensjaar: in een donkere nacht staren en je langzaam steeds beter realiseren wat het betekent dood te zijn. Heel langzaam vormt die realiteit zich  completer als een afgesloten systeem om je heen en voel je waarin je beland bent: angst te sterven. De wereld gaat door zoals ‘ie is alleen zonder jou. En je bent nergens. Een aantal keren bedrukte die angst me werkelijk zeer intens. Toen verdween de angst en dacht ik er geloof ik letterlijk decennia niet aan, althans niet op een wijze die tot angst leidde.

Deze Kerst raadde Q. me Irvin D. Yalom aan en ik bestelde lukraak een paar titels. Nu lees ik van deze Amerikaanse psychiater, die ergens in de VS vandaag nog leeft, 88 is hij geloof ik, Staring at the Sun. Overcoming the Dread of Death.

Ik lees het boek van een schrijver met een stem, daar zijn er maar een paar van; dat je hoort wat je leest en dat de volledige persoonlijkheid van de schrijver zich daarin aan je meedeelt. Het is goed dus, ergens op zijn Amerikaans lichtjes te versimpelend, maar wijs. Ik weet nu dus dat mijn doodsangst ondergronds ging. Zoals Freud de wereld heeft opgezadeld met een denksysteem waarin elke menselijke handeling een uiting kan zijn van onderdrukte seksualiteit, geeft Yalom aan dat veel problemen in de psychtarische zin voortkomen uit de angst te sterven. En dat die angst ook een motor kan zijn. Ik bezie de daden van Trump en Poetin of het ‘triomfalisme’ van Baudet ook opeens in een heel ander licht. Wat moeten ze bang zijn! De Grote Verffenaar snoeit alles terug tot de menselijke maat.

Het zijn beschrijvingen van casussen met patiënten gelardeerd met hoe hij het aanpakt deze mensen te helpen. Een deel ervan zit in literatuur en wijsheid, geen psychiater die ik las toont zo ragfijn aan dat woorden medicijn zijn. Epicurus speelt een belangrijke rol, Nietzsche.

Mijn helden De Montaigne en Elias Canetti kwam ik nog niet tegen. Das Buch gegen den Tod van de laatste is een vademecum in dezen.

blz 176: Neugier auf das letzte gespräch. Mit wem wird es geführt werden?

Een notitie van een duizelingwekkende kracht. Niet alleen herken ik juist deze precieze benieuwdheid, ook schat ik in dat het realistisch is – boeken en films in gedachten brengend – dat dat laatste gesprek met iemand is die je nu nog niet kent.

 

—-

IMG_6285

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot. Hier een stukje over Bashō en de dood. En hier een stukje met een Canetti citaat. En een stukje over De Montaigne.

Het indrukwekkendste stuk over de dood op dit blog is evenwel van Machiel Jansen leest u hier.

 

Reageer >
 

Gebruiken

14 januari 2020 (22:18) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_4181In 2010 werd in Suriname open tuberculose bij me gediagnosticeerd, gevolg van een besmetting die ik waarschijnlijk al in 2000 in Cairo of Alexandrië heb opgelopen.

Veel mensen zijn zonder het te weten drager van de tuberkelbacterie, maar die knakworstvormige ellendenaar legt het vrijwel meteen af tegen elk goed immuunsysteem, waarna hij zich ingraaft bij zijn gastheer, hopend op een dipje in diens weerstand.

In Paramaribo kreeg ik pfeiffer – wat een dipje in de weerstand is – et voilà: bloedhoesten, ijlen, extreem gewichtsverlies. Als aspirantschrijver zag ik er de romantiek wel van in. De longarts van het Academisch Ziekenhuis verklaarde me unfit to fly, wat inhield dat ik op kosten van mijn zorgverzekering langer in mijn geliefde SU mocht blijven.

Kleine minpunten: een alcoholverbod, als enige witmans in de wijde omtrek boodschappen doen met een mondkapje, en natuurlijk wat verlies van longcapaciteit. Toen de bergen antibiotica grip kregen op mijn tuberkels en ik weer naar Nederland mocht, zei dokter Gopi me vooral niet te roken, omdat vuiligheid nu makkelijk kon ophopen in de beschadigde delen van mijn longen en nóg sneller voor ellende zou zorgen.

Ik zag er geen probleem in, voelde geen behoefte aan tabak, maar op een of andere manier sloop de gewoonte deze stukjes onder invloed van cannabis te schrijven er over de jaren in. Elke dinsdagavond draaide ik een heel licht jointje van geurige zoete hash en begon dan voor me uit te tikken.

De rook gaf me een zetje, duwde me uit het humeur van de dag en op weg naar een plek waar woorden vanzelf kwamen.

Afgelopen vrijdag gaf ik mijn stash door aan mijn broer. De angst mijn longen te beschadigen verpestte het genot te zeer, en vanavond tik ik voor het eerst in lange tijd een stukje nuchter.

Toen ik Nadim vanmiddag ophaalde van school, vertrouwde ik Femke (een bevriende ouder die deze stukjes vaak leest) toe dat ik het maar spannend vond. Dat ik het zo gewend was met dat jointje, en nu misschien niet eens zou weten waarover ik schrijven moest.

Femke tuurde voor zich uit zoals je doet terwijl je met andere ouders praat en wacht op het opengaan van schooldeuren.

‘Nou,’ zei ze na een tijdje. ‘Het klinkt alsof jij je onderwerp al hebt.’

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Voornemens

7 januari 2020 (23:00) | Gilles van der Loo | Geen reacties

fotoDit was de zwaarste kerstvakantie ooit. B kreeg een berg werk mee die ze niet voorzien had en zat daar twee dagen aan vast. De werkkamer die ik voor ons bouwde heeft een venster op de woonkamer en terwijl ik op de bank lag zag ik haar zwoegen bij het harde licht van haar laptop.

Nadim werd ziek en ontwaakte de hele avond en nacht uit koortsdromen, ijlend, schreeuwend. De koorts zou vier dagen aanhouden en werd naadloos overgenomen door Ada, die alle expressie waartoe ze in staat is inzette voor pure woede en algehele ontevredenheid.

Ze plakte aan haar moeder, wilde niets van me weten. Geplande uitjes zegden we af, we lieten de afspraken met vrienden die bij ons zouden komen eten staan en beleefden er lol aan, maar kregen katers bovenop het slaapgebrek.

We overwogen de vrienden die zouden komen eten op Oud en Nieuw af te bellen en deden het niet omdat we voelden dat we het niet konden maken.

In de vroege ochtend van de eenendertigste deed ik zwetend inkopen bij de groothandel. Ik haalde wijn en stak de oven aan, schoof het hoofdgerecht erin. We hadden een rustige middag met een familiefilm en hesen ons daarna uit de klamme bank om op te ruimen, groenten te garen.

Om vier uur dronken we wijn en dat hielp. Ik las een hoofdstuk uit mijn nieuwe boek en was ontevreden, maar verbood mezelf te twijfelen aan het project, dat uit de klauwen groeide en diepgaand gesnoeid moet worden. Je weet dan nooit wat je gaat overhouden. Je houdt je hart vast.

De gasten druppelden binnen en deze groep mensen, laat me je zeggen, is me dierbaar. Een zeldzame humor en warmte; tegen half zeven hoorde ik B schaterlachen en niet veel later hing ook ik aan tafel, de arm van mijn broer die eigenlijk mijn zwager is over mijn schouders. Nadim wilde wakkerblijven voor het twaalfuurmoment en danste het hardst van iedereen in de aanloop naar het vuurwerk.

De onderburen klopten aan en we namen iedereen mee naar het dak, staarden naar de lichtjes aan de lucht. De geur van vuurwerk, die zal ik ook missen als het verbod er komt. Als buskruit dat de wonden van het afgelopen jaar uitbrandt, ontsmet.

Terwijl ik dit stukje tik luister ik naar de nieuwe plaat van Trijntje Oosterhuis. Het merendeel van die Nederlandstalige klassiekers wordt beeldschoon door haar uitgevoerd. Dit terzijde. Maar ook weer niet: mijn ex-collega Martijn Bethesda Knol postte vaak de door hem tijdens het schrijven geluisterde muziek onder zijn Tiradeblogs.

Bethesda is een poel in het Bijbelse Jeruzalem waarvan het water helende krachten zou bezitten, maar anyway.

Het werd laat en daarna vroeg. Broer Pim, Lauren en ik waren de last men standing. Om half negen bakte ik scones die niemand at; omdat koude scones vies zijn gooide ik ze weg voordat ik om negen uur – onvast op mijn benen – Ada ging halen bij mijn schoonouders. Ze had een topnacht gehad, sterretjes afgestoken en daarna door alles heen geslapen.

De laatste dagen van de vakantie probeerden we te rusten. Op zondag Dim Sumden we geweldig bij Sea Palace en genoten bijna van het eten, onze tafel bij het raam, elkaar.

Maandag pakte ik het werk weer op in een stil huis waar niemand ziek was, niemand met zweethaartjes in de deuropening van de werkkamer kwam zeuren om ijs. Het einde van de dag liet op zich wachten, ik haalde onze jongen van school en probeerde leuke dingen met hem te doen.

B kwam thuis met Ada en ik kookte, at met mijn gezin, waarvan de jongste helft – het moet gezegd – fucking lastig eet.

Ik haat mensen die klagen, maar doe het zelf vrij vaak. Sorry, daarvoor.

Tweeduizendtwintig wordt fantastisch. Als we elkaar tegenkomen dan zul je merken hoezeer ik me daarvoor inspan. Ik ga je bier geven, je omhelzen en alles wat je me aanbiedt opdrinken. Ik zal niet te vroeg naar huis gaan, genieten van de vrijheid die we hebben, het leven dat we hebben.

Adriaan van Dis meldde laatst ergens dat hij Wees niet zo bang tegen zijn vroegere zelf zou willen zeggen. Ik heb die man altijd bijzonder gevonden en bij het lezen daarvan dacht ik: zie je wel.

Het is vaak niet de situatie die ons zo belast en verzwaart, het is de angst dat alles zo zal blijven zoals alles op dat moment is.

Ik houd van je, vergeet dat niet. Mijn innerlijke James Worthy mag even buiten spelen, en dus houd ik van je zoals Nadim danst. Onhandig en misschien niet al te ritmisch, maar met alles wat hij heeft.

- beeld: Rob Waumans

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

De eenbenige kruisvaarder

21 december 2019 (8:00) | Jan Lodewijckx | Geen reacties

1De dag waarop ik Frankrijk uitreed, ontmoette ik één van de meest markante mensen die ik tot dusver mocht ontmoeten. De Pyreneeën omhoog puffend werd ik ingehaald door een man met maar één been. Enfin, hij had er wel degelijk twee, het is te zeggen: één heel paar, maar zijn rechter was volledig verschraald. Een verkleumd twijgje, nauwelijks een vinger dik, waarvan de tristesse sterk contrasteerde tegen de blakende kracht van zijn stevig dooraderde, strak gespierde linker.

Dit na een ernstig motorongeval, een aansluitende depressie (met een pijnlijke voortvarendheid had zijn salope van een meuf zich achterop de motor van één van zijn ex-bendeleden geladen) en de daaropvolgende, wilskrachtige beslissing zijn resterende dagen met niet minder ténacité te leven dan die van voor zijn ongeval.

Hiertoe had hij een speciale koersfiets laten maken, op maat van mensen met twee benen waarvan er maar één werkzaam is. Dankbaar gesubsidieerd door het Franse uitkeringenstelsel (dat onder Manu Antoinette weliswaar even snel leek te atrofiëren als zijn rechterbeen), bracht hij zijn dagen nu al fietsend door. Voor 2018 had hij zichzelf niet minder dan 30 000 kilometer vooropgesteld. Toen we elkaar eind november kruisten, lag hij ver voor op schema.

Graag begeleidde hij mij tot aan de grens en graag liet ik mij leiden, want terwijl ik blindelings bordjes volgde, werd de kaart in zijn kop door hoogtelijnen getekend. En terwijl hij de bergoppen danste, in zijn leven en op het pad dat we kortstondig deelden, en ik nauwelijks kon volgen, dacht ik: hoeveel wij van deze man te leren hebben! – De asymmetrische belichaming van steenharde onverzettelijkheid in het aangezicht van de meest cynische grijns van het leven: een intense Ja! aan het nietzscheaanse amor fati…

Wat een man! En toch, zo zei hij, eenmaal aan de Spaanse grens, was hij ook mij dankbaar. Voor het eerst in maanden was hij nog eens van zijn vaste route afgeweken en bovendien vond hij mijn gefiets niet minder inspirerend. Toen ik hem vroeg of ie niet nog snel meereed tot Figueres, waar ik die dag halt dacht te houden en hem graag wat Ricards zou trakteren, verhardde, ondanks de vele hoogtemeters voor het eerst, zijn gezicht. Nee, in Spanje was hij nog nooit geweest. En elders gelukkig ook niet. In Occitanië was hij geboren, en stel je toch eens voor dat hij op een ander zou sterven. Terwijl men weet hoe de tragedie daar bij die Strontspanjolen nooit veraf is en loert om elke hoek. Ook wildkamperen, verweet hij mij, was onvoorstelbaar levensgevaarlijk, om over Marokko nog maar te zwijgen – waarna hij een kwartier lang allesbehalve zweeg over de ontelbare materiële en conceptuele misdaden van dit apenvolk en ook vele andere volkeren anderzijds zijn geliefde bergen, waarvan hij nooit een andere flank zou zien dan die op zijn hoorn- en hersenvlies gebrand.

En terwijl ik richting de Iberische gevaren afdaalde, steeg mijn geconflicteerde eerbied voor deze onverzettelijke racist, die zo compromisloos-contradictoir onze Europese ziel concentreerde, en dacht ik aan Hegel, die ooit over Napoleon noteerde: ‘Deze wereldziel zag ik door de straten rijden […] – het is inderdaad een heerlijk gevoel zo’n individu te zien, dat hier in één punt geconcentreerd, op zijn ros gezeten, de wereld aangrijpt en beheerst.’

 

——

lodeJan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.

Reageer >
 

Precisie en afstand – over Japanse etskunst

19 december 2019 (8:00) | Menno Hartman | 1 reactie

2019-12-18_160511Een van de natste films die ik ken is Seven Samurai van Akira Kurasawa: in een goed deel van de film regent het pijpestelen. Waarom werkt het nou zo goed Japanse zwaardvechters in de stortregen aan het werk te zien? Misschien om hetzelfde reden als waarmee het rijstpapieren kamerscherm werkt: suggestie. Door een scherm heen zie je minder, maar je durft beter te kijken omdat je je ook minder gezien weet. Of de gesuggereerde afstand maakt dat je langer en preciezer kunt waarnemen. En omdat iets afleidt van waarom het gaat raak je geïnteresseerder in het hoofdonderwerp. Misschien heeft het zelfs te maken met het wabi-sabi (侘寂) principe, zoals Jun’Ichirō Tanizaki berschijft in zin prachtige essay over de schaduw.

De kracht van deze ets hiernaast van Tanaka Ryōhei is mede ontleend aan dat effect. De truc van deze kale boom heet in de beeldende kunst een repoussoir begreep ik bij de tentoonstelling in het Leidse Sieboldhuis. De gangbare verklaring is dat het onderwerp voor in beeld de kijker de diepte intrekt. Maar bij Tanaka Ryōhei gaat het daar maar ten dele om. Deze etser etst met een aan autisme grenzende precisie een betrekkelijke gering scala aan onderwerpen. Daken steken er in deze beperkte hoeveelheid nog bovenuit. Honderden moet hij er geëtst hebben. En muren en bladeren. En vaak iets wat de diepte versterkt, maar vaker nog een repoussoir dat omfloerst, om achter verborgen te blijven, alsof je met een oog achter de vitrage beter kijken kunt. Dit repoussoir drukt jou weg, houdt jou op afstand. En in en door die afstand is ruimte tot denken. Vervolgens is zijn uitsnede eigenaardig, steeds net iets anders dan je zou verwachten.  De met grote nauwkeurigheid geëtste schijnbaar willekeurige muuroppervlakken raken aan iets wat ik maar nauwelijks begrijp: of preciecer, ik begrijp ze zo goed dat ik me erover verbaas wat dat dan betekenen moet? Waarom wil ik minutenlang naar een heel precies geëtst stuk muur kijken, of een heel nauwkeurig weergegeven half vervallen strodak?

Uitsnede, oppervlak, repoussoir of kamerscherm. Tanaka ziet iets wat ik ook wil zien. En niet begrijpen kan maar ook niet hoef, maar wil blijven zien en niet hoe, maar dat het werkt. En ineens wist ik het: Chr. J. van Geel

 

Bomen

Windstil in het ondragelijk
vermogen om beweeglijk stil
te staan, van niets te leven dan
van lucht, van aarde en
tot humus te vergaan.

 

of

 

Kromboom

Een naar één kant topzwaar verwaaide
boom, diepzwart, naast naar één kant
topzwaar verwaaide bomen – nacht.

Mijn hart is vol verstand van angst.

 

 

—-

IMG_6285

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot. Hier een stukje over Tanizaki.

 

1 reactie >
 

Evander

18 december 2019 (8:38) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_3543De boot dreef naar de kant alsof het water naar rechts helde, en Evander greep een handvol riet, trok zich een paar meter vooruit. Ook zijn sigaretten waren overboord gevallen, en lagen nu naast zijn telefoon te drogen op het bankje naast de motor.

Een tak of wortel bonkte tegen de bodem. Voor de zoveelste keer stond hij op, tilde de kap weg en tuurde naar het binnenwerk van de motor. Filters en slangen en draden in allerlei kleuren, maar niets leek los te zitten.

Evander trok nog eens aan het koord, vroeg zich af of dit was hoe een verzopen motor klonk, en of bootmotoren eigenlijk verzuipen konden.

Uit zijn rugtas haalde hij de nasi die hij in Brians straat gekocht had. Hij wikkelde de folie van de bak en verwijderde de deksel, at met een van de meegeleverde plasticvorken. Na een paar happen scheurde hij het zakje gele sambal open en verdeelde het spul met de achterkant van zijn vork over de rijst.

Een kleurige vlek in zijn ooghoek trok zijn aandacht: niet ver van de boeg stond een rode ibis tussen het riet, haar veren zo onwaarschijnlijk rozerood dat het leek alsof iemand een witte vogel met een spuitbus had bewerkt. Het beest leek hem te registreren, maar geen gevaar in hem te zien.

Met de minuut won het gezoem van de insecten aan kracht en Evander probeerde te schatten hoe laat het was, maar de zon stond midden boven hem; leek helemaal niet te bewegen. Hoewel zijn jetlag al in de eerste dagen was opgelost, bleven ochtend en middag hier moeilijk van elkaar te onderscheiden.

Evander dronk water uit de vijfliterfles, schroefde de dop terug en depte zijn gezicht met zijn T-shirt, dat hij al na het ronden van de eerste bocht in de rivier in een zak van zijn korte broek gepropt had. Bij de steiger achter het houten huis had zijn neef hem in de platbodem geholpen en de autobanden die als stootkussens dienden binnenboord gehesen. Op het kleine voordek had hij bij het licht van een zaklamp de route uitgetekend, tot drie keer toe vertellend hoe hij elke afslag kon herkennen.

‘Je kunt me altijd bellen,’ had Brian gezegd.

 

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Een rijtje HaHaHa

16 december 2019 (9:36) | Berthe Spoelstra | 1 reactie

citaat Vondel RijksmuseumEen nieuw kassameisje wordt ingewerkt. De oudgediende haalt mijn pot nachtcrème langs de scanner en zegt joviaal: ‘Kan ik nog iets voor je doen?’

De nieuwelinge reageert geschokt en fluistert: ‘Je moet u zeggen, toch?’

Ze wordt luid en streng gecorrigeerd: ‘Nee, de klant moet zich zo jong mogelijk voelen. Alsof ze jouw vriendin zou kunnen zijn.  Dan voelt ze zich hier thuis’.

Ik krijg een vette knipoog, alsof we samen publiekelijk ons kind opvoeden. Kijk, zo doe je dat: gewoon kalm uitleggen.

 

Thuis krabbel ik het voorval op mijn lijst ‘winkelincidenten’. Ik verzamel gedachten, voorvallen en woorden. Daar houd ik lijstjes van bij. Bovenaan de lijst ‘huiselijke humor’ staan bijvoorbeeld de hardgekookte eieren in de koelkast met een H erop. Samen vormen ze een rijtje HaHaHa. Naarmate de week vordert en er meer eieren in lunch of avondeten zijn verwerkt, slinkt zichtbaar de vreugde in mijn koelkastdeur.

 

Ik verzamel ook verhalen en gedichten over de dood. Daarom las ik Het uur van het violet waarin Katie Roiphe grote schrijvers in hun laatste dagen opvoert. Nauwkeurig volgt ze Susan Sontag, Sigmund Freud, John Updike, Dylan Thomas, Maurice Sendak en James Salter. Zes keer zit de lezer samen met Roiphe aan een sterfbed terwijl de laatste adem uitgeblazen wordt. Haar toon is journalistiek zakelijk maar haar inlevingsvermogen groot. Onder de woorden is niet alleen de scheppingsdrift van grootheden voelbaar, maar ook Roiphes eigen woekerende angst.

Roiphe schetst zes schrijvers die zich een leven lang verhouden tot een mogelijke dood, lang voordat ze ziek worden en daadwerkelijk de laatste fase in gaan. Deze schrijvers waren zonder uitzondering geobsedeerd door de dood. Ze schreven er veelvuldig over. Ze beweerden vooral een journalistieke, kunstzinnige of wetenschappelijke interesse in de dood te hebben, ze beweerden niet zelden vooral levenskunstenaar te willen zijn, en toch tonen hun woorden vele kleuren doodsangst.

Alle zes zwegen ze over het naderende einde toen het zich daadwerkelijk aandiende. Ze ontkenden het gewoon. Freud bleef roken, ook al stonk zijn mond- en keelkanker dusdanig dat zelfs de hond niet meer bij hem in de buurt wilde komen. Sontag liet zich behandelen met de nieuwste en agressiefste methoden en bleef geloven dat zij de sfinx was die uit de dood zou verrijzen.

 

Ik plant de pot anti-rimpel crème op de plank in de badkamer en duik weer in de woorden die Roiphe verzamelde van grote geesten, die grote gedachten verzamelden over sterfelijkheid, maar hun eigen einde nauwelijks onder ogen durfden komen.

Als obsessief vlinderverzamelaar spies ook ik het leven in letters vast om zo de dood te bezweren. Al is het maar in een simpele H op een hardgekookt ei. Daarom sluit ik mijn – voorlopig laatste – blog af met wijze woorden van de Prins der Dichters, Joost van den Vondel. Bijna dagelijks flitsen ze aan mij voorbij in de fietstunnel onder het Rijksmuseum:

De kunst is langk, het leven kort.

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

foto: Bas de Brouwer

1 reactie >
 

Trans-Siberische spoorlijn – Karel voor gevorderden

12 december 2019 (7:00) | Menno Hartman | Geen reacties

Irkutsk in 1996, handel langs het spoor

Irkoetsk in 1996, handel langs het spoor

De samensteller van het boek Karel van het Reve voor gevorderden zei me dat als ik het niet kende ik Siberisch Dagboek (voorjaar 1966) eens moest lezen. In 1966 reist Karel voor de Volkskrant van Moskou naar Chabarovsk. Het stuk blijkt een exponent van een aantal befaamde Karelmethodes: Rusland bespreken vanuit zijn eigen ervaringen, met enorme maatschappelijke en literaire belezenheid achter de hand, met een zeer heldere argumentatie vooroordelen of propaganda te lijf gaand. Dikwijls belandt hij in discussies over het kapitalistisch versus het communistische economisch systeem. Die discussies zijn hilarisch – om Karel van het Reve moet je overigens zeker twee keer per bladzijde heel hard lachen – gortdroog en geestig als hij is.  In Irkoetsk kan hij geen fotorolletje kopen. Zijn gids vertelt hem dat er zoveel foto-amateurs zijn dat alle fotorolletjes op zijn, Karel vertelt haar dat er in 1900 in Irkoetsk minder mensen woonden en wel 5 fotowinkels waren, en dat Nederland ook veel foto-amateurs heeft, maar dat je rolletjes kunt kopen op elke straathoek. En toch blijft Van het Reve  heel vriendelijk tegen zijn gidsen.

Karel van het Reve voor gevorderdenHet is een fascinerende reis. Voor mij misschien extra boeiend omdat ik precies 30 jaar later dezelfde reis maakte. In 1996 reed ik met de trein van Moskou naar Beijing. Zeven dagen en acht nachten, 7.621 km. In het Rusland waardoor ik reed was de plan-economie nog nauwelijks een issue, oligarchen waren bezig grote stukken staatsbedrijven voor een appel en een ei op te kopen om van de verkoop later miljardair te worden. Dat zag ik niet, ik zag alleen berkenbos (waar Karel uitsluitend dennenbos zag, dit blijft vreemd) en het enorme Bajkalmeer waar ook Karel van onder de indruk is. En bij mij was het iets vroeger in het jaar en dus kouder. De kou van Novosibirsk of Krasnojarsk zal ik niet snel vergeten, ze dringt diep in je botten door. Karel zag veel meer dan ik, natuurlijk. Hij sprak de taal en had een enorme kennis van land en een doorleefde kennis van het communistische gedachtegoed.

Het is een opluchting weer Karel te lezen, wie is er vandaag zo geestig, zo slim en zo belezen? Ik ken ze helaas niet. Door Siberisch Dagboek haalde ik mijn eigen dagboek er ook weer bij. Gedeelde eendeneieren, 100 verloren potjes schaak, een postcommunistische restauratiewagendame die steeds net voordat je binnenkomt de deur op slot doet en op de gewijzigde tijdszone wijst die steeds slechts in haar voordeel uitgelegd wordt. Ik heb me – om later te onthullen literaire redenen voorgenomen volgend jaar per trein naar Tarusa te reizen. Ik zal zeer zeker een deel Karel van het Reve meenemen.

In mijn dagboek ook nog de mooie scène waarin een Russisch treinbovenstel op een ander onderstel wordt geplaatst. Rusland heeft een afwijkende railbreedte. Ook hoe dat komt weet Karel. Het heeft met de Amerikaanse schilder Whistler te maken. Echt waar, lees maar in dit prachtboek.

—-

IMG_6285

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot. Hier ook een stukje over treinreizen.

Reageer >
 

Een perfectionistisch mens

11 december 2019 (8:26) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_5895We zaten op een koud terras en Sarah dronk haar koffie verkeerd zoals ze alles lijkt te drinken: langzaam.

Ik kom uit de horeca, drink en eet snel. Zo gauw die koffie voor mijn neus staat gaat er in mijn hoofd een timer lopen, waardoor ik zonder proeven weet wanneer hij te koud gaat zijn. Zo lopen er ook timers voor mijn werkschema, voor het buikspek dat in de pekel ligt, en voor alle andere bederfelijke waar in huis.

Terwijl we praatten vroeg ik me af op hoeveel terreinen zich dat vertaalt, traag eten en drinken; hoe het moet voelen om geen timers te hebben lopen. Zou je je dan minder bewust zijn van het verstrijken van de tijd? Sarah vroeg of ik een perfectionist was.

‘Eentje die zich daar voortdurend tegen verzet,’ zei ik.

Ik ben punctueel en probeer juist vaak te laat te komen omdat ik er niet tegen kan overgeleverd te zijn aan mijn persoonlijkheid. Hoe dwars ik ook in de omgang kan zijn, ik ben altijd dwarser tegen mezelf. Ik werk er nog aan een keer mijn buikspek te vergeten.

‘Dat is metaperfectionisme,’ zei Sarah, en zwaaide naar een bekende. ‘De ergste vorm.’

Ik dacht over een antwoord en dronk de laatste slok van mijn koffie. Hij was nog warm, en ook dat stoorde me opeens.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Tijd winnen

9 december 2019 (9:56) | Berthe Spoelstra | Geen reacties

16 VondelDus ik kwam een oude vrouw tegen, ’s avonds laat terwijl ik eigenlijk naar huis wilde. Ik noemde haar Jeanne. In werkelijkheid was hij een man. Hij heette Piet en had een ferme handdruk. Ik kwam hem tegen in de zomer van 2019 en we aten een ijsje. Het bejaardenhuis waar hij woonde wordt inmiddels afgebroken. Of grondig gerenoveerd, dat is me niet helemaal duidelijk. Piet is in elk geval verhuisd. Of misschien al overleden.

Ik gebruikte hem als metafoor voor menselijk onvermogen (toe maar), net zoals ik-figuur Jeanne uit mijn debuutroman Schemerland. In werkelijkheid zat zij precies dertig jaar eerder eenzaam in haar Parijse appartement, aan haar leunstoel vastgebonden met een laken. In mijn fantasie zei Jeanne: ‘Het leven is een pijp kaneel, ieder likt eraan en krijgt z’n deel.’ Vondel op z’n Bargoens. Het origineel luidt: De wereld is een speeltoneel, elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel.

Joost van den Vondel schreef die regels in 1637 ter gelegenheid van de opening van de Amsterdamse Schouwburg aan de Keizersgracht. De dichtregels werden in de poort gebeiteld. De schouwburg brandde af, de poort bleef behouden. Vondel moet inspiratie hebben opgedaan bij Shakespeare, die omstreeks 1599 de melancholische Jacques in As you like it (Act II, scene 7) liet verzuchten:

All the world’s a stage,

And all the men and women merely players;

They have their exits and their entrances,

And one man in his time plays many parts (…)

Leest iemand nu eigenlijk nog Vondel? Ooit was hij de meest besproken Nederlandse dichter, nu slechts naamgever van een restaurant, park of plantsoen. Hij schreef zijn beroemdste toneelstuk Gijsbrecht van Amstel in 1637 ter gelegenheid van de opening van diezelfde Amsterdamse schouwburg. De eerste opvoering was op 3 januari 1638. Vanaf 1641 werd het stuk als kerstspel opgevoerd, later weer verschoven naar 3 januari. Het was een traditie die standhield tot Aktie Tomaat er 50 jaar geleden een einde aan maakte.

Vondel schreef ook gelegenheidsgedichten. Vele spotverzen, zegezangen en hekeldichten vloeiden uit zijn pen. Die woorden alleen al! Hij schreef veel, werd stokoud en overleefde al zijn kinderen en kleinkinderen (op 1 kleinzoon na). Zoveel levenservaring leidt tot gortdroge humor. Zijn laatste werk zou zijn eigen grafschrift zijn geweest:

Hier leit Vondel zonder rouw
Hy is gestorven van de kouw

 Dat is nergens een metafoor voor, vermoed ik. Hij had het in zijn laatste levensjaren gewoon altijd koud. Dan nu één van Vondels mooiste dichtregels, uit Gijsbrecht van Amstel (5e bedrijf, vers 1600):

Een krijghsman wint genoegh, al wint hy niet dan tijd.

Oftewel: tijd winnen is de wereld winnen. In een gevecht kan extra tijd het verschil uitmaken tussen leven en dood. Krijgt de tegenstander net een lekke band. Of breekt precies op tijd een onweer los. En wat is de hedendaagse gezondheidzorg anders dan kennis vergaren en daarmee tijd kopen? Tijd is goud, geen vanzelfsprekendheid. Dat is een prachtig motto, misschien ook voor Jeanne en Piet.

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

foto: Bas de Brouwer

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020 < 2030
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
 
Nr.474/475 Nr.476
 
 
voorpagina