‘Into the march now’

5 februari 2017 (0:01) | Irwan Droog | Geen reacties

Foto bij blogje 1Na drie kwartier optreden met nauwelijks verholen woede kon Conor Oberst niet anders dan toch zijn excuses aanbieden voor ‘his country’. Hij stond in Utrecht op het podium op de dag dat in Amerika de vliegvelden overrompeld werden door plotselinge decreten. ‘I just don’t want you to think that we’re all crazy,’ zei Oberst. Hij sprak over een wereldwijde ‘weird rising wave’ van fascisme, xenofobie, racisme, islamofobie en seksisme, maar had er desondanks alle vertrouwen in dat vredelievende mensen nog altijd in de meerderheid zijn. Toch gaat hij niet stilzitten, belooft hij: ‘We’re going to take every opportunity to stop these motherfuckers in their tracks.’

Niemand kan zo prachtig kwaad zingen als Conor Oberst. Al vanaf zijn dertiende schreeuwt hij als geen ander, veelal als frontman van de band Bright Eyes; de albums Fevers and Mirrors en Lifted zitten zo vol emotie, dat er af en toe een flinke bak muzikaal lawaai nodig is om tegenwicht te bieden aan de intensiteit van zijn stem. Inmiddels is die stem voller, ronder, zuiverder, maar die uithalen, dat top of the lungs-schreeuwen, dat jaagt nog elk concert een rimpeling van collectief kippenvel door het publiek. En als hij de muziek onderbreekt voor een politiek statement, heeft hij je aandacht.

Op Ruminations, zijn meest recente album, wordt zijdelings Vietnam genoemd – de afgelopen weken weer op de voorgrond van het collectieve geheugen, nadat massale demonstraties herinneringen opriepen aan de Vietnamprotesten. Oberst zingt in ‘A Little Uncanny’, niet toevallig het nummer dat hij speelde direct na zijn verontschuldigingen voor Trump:

We started drinking the Kool-Aid

We were taking the bait

We were talking the big talk

Never playing it safe

Looking good as Jane Fonda

On a Vietnam tank

Can’t get something for nothing

Have to energize your base

 

But she was young enough

She was blonde enough

She was ’bout a perfect ten

Had millions of admirers but not one single friend

And it’s a, it’s a little uncanny what she managed to do

Become a symbol for a pain she never knew

Van Jane Fonda is het een kleine stap naar anti-oorlogsactivist, politicus en schrijver Tom Hayden, met wie Fonda naar Hanoi reisde en in 1973 trouwde. Hayden publiceerde onlangs, kort voor zijn overlijden in oktober 2016, Hell No: The Forgotten Power of the Vietnam Peace Movement. ‘We were a generation divided by Big Lies and propaganda’, schrijft hij over de jaren zestig en zeventig. Hij benadrukt hoe groot het belang was (en vooral: is) van het vertellen en delen van de juiste, échte verhalen, om de geschiedenis correct te herinneren. ‘Storytellers, artists, actors, and musicians would need to be engaged in this effort. The more people were aroused, the more they might demand of Congress and the media, and the more the truth of history could be presented.’ De autoriteiten, parafraseer ik Hayden, zijn al decennialang bezig de peace movement die de Vietnamoorlog uiteindelijk een halt toeriep uit de geschiedschrijving te schrappen – oftewel, het is aan ‘echte mensen’ om ‘echte verhalen’ te delen.

In 1971 publiceerde Bob Dylan (na jaren uitstel – hij schreef het al in ’65 en ’66) op veler verzoek een boek: Tarantula. In mijn herinnering – ik las het zo’n tien jaar terug – was het een dichtbundel; maar nadat hij de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg toegekend, werd Tarantula her en der een bundeling van kort proza genoemd. Het zit er eigenlijk een beetje tussenin, zie ik nu, en is – hoewel me er niet veel van was bijgebleven – toch een interessante (en, weinig verrassend: heel muzikale) tekst. Je vindt er zomaar flarden van ‘echte verhalen’ in, die – als je bereid bent door het kerouaciaanse Doctor Sax-imitatieproza heen te kijken – opeens weer relevant zijn:

… surrendering to persuasion, the crime against people, that be ranked alongside murder & while doctors, teachers, bankers & sewage cleaners fight for their rights, they must now be horribly generous… & into the march now where tab hunter leads with his thunderbird

Het is natuurlijk niet Tarantula waardoor Dylan (tegen wil en dank) zijn stempel ‘voice of a generation’ kreeg, en ook zijn latere autobiografische Chronicles (met de fascinerende ondertitel Volume One) zal niet zijn waar mensen als eerste aan zullen denken bij het horen van zijn naam. Toch zou ik ook benieuwd zijn naar een bundel of roman van Oberst; de neerslag van een moment en een sentiment in de tijd, in drukvorm, zoals Tarantula dat deels ook is. Er zijn naast Dylan genoeg andere muzikanten die zich met verve hebben gewaagd aan boeken schrijven; Steve Earle, Patti Smith, Leonard Cohen (hoewel hij meer een schrijver was die zich aan zingen waagde), Willy Vlautin, Josh Ritter. Via nogal wat omzwervingen kom ik zo bij het onderwerp waar ik me deze maand wekelijks in wil verdiepen.

Terug naar Hayden: het lijkt er inmiddels op dat we de komende jaren meer waarheid kunnen verwachten in kunst, muziek en literatuur, dan in de alternative facts van officiële berichtgevingen. Of dat nu in al dan niet geëngageerde literatuur is, waar problematische kwesties bij uitstek onderzocht en van verschillende kanten belicht kunnen worden, of in die hartstochtelijke belofte van een man op een Utrechts podium, die ooit (tegen wil en dank) als ‘de nieuwe Bob Dylan’ werd bestempeld: ‘We’re going to take every opportunity to stop these motherfuckers in their tracks.’

Irwan Droog © Floor Schrijvers

Irwan Droog (Den Haag, 1984) studeerde Nederlandse letterkunde en literatuurwetenschap aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij zat in de redactie van Recensieweb en Tijdschrift Ei. Voor Tirade schreef hij eerder een artikel over het werk van John Steinbeck. Van 2012 tot 2017 was hij redacteur bij Uitgeverij Cossee. Hij is medeoprichter van de J.M.A. Biesheuvelprijs, de eerste literaire prijs voor korteverhalenbundels. Sinds begin 2017 werkt hij als zelfstandig redacteur en vormgever.

© foto Floor Schrijvers

Reageer >
 

De waarheid II

3 februari 2017 (15:21) | Menno Hartman | Geen reacties

daliVan dichter en vertaler Hans van Pinxteren verschijnt dit jaar een keuze uit zijn poëzie bij Van Oorschot. In reactie op het blogje  ‘Astronaut – de waarheid is (ernstig) ziek‘ citeert hij een schitterend stuk uit zijn Montaigne-vertaling:  ‘Een van de fragmenten waar ik het meest door gegrepen werd bij het vertalen van De essays staat in “Over het logenstraffen”.  boek 2, hoofdstuk 18.  Ik citeer het graag:

“(a) Tegen­woordig is waarheid voor ons niet: zoals het is, maar: wat je aannemelijk kunt maken voor de ander, precies zoals wij de naam geld niet alleen geven aan het wettig gemun­te, maar ook aan het valse dat in omloop is. Dit is een on­deugd die ons volk al sinds lang wordt verweten, want Salvia­nus van Marseille, een tijdge­noot van keizer Valentianus, zegt dat voor de Fransen de leugen en de meineed geen ondeugden zijn, maar een wijze van spreken. Nog een klein stapje verder, en je zou kunnen zeggen dat het tegenwoordig een deugd voor hen is. Ze laten zich erin opleiden en africhten, alsof het iets is om eer mee te behalen; want het verduisteren van de waarheid is de laatste tijd bon ton. Zo heb ik er vaak over nagedacht waar toch de gewoonte vandaan komt (die wij zo angstvallig in ere houden) dat wij, als iemand ons van deze voor ons zo alledaagse ondeugd beticht, ons erger beledigd voelen dan door welke aantijging ook; en dat de diepste smaad die ons in woorden kan worden aangedaan, wel is als iemand zegt: je liegt. Ik ben tot de conclusie gekomen dat wij ons van nature het meest distantiëren van gebreken waar wij het meest mee zijn behept. Als wij ons opwinden en kwaad maken over een beschuldiging, is het net of wij de schuld een beetje van ons afschuiven; en ook al hebben wij inderdaad schuld, wij gaan daar voor de schijn tegenin.

b Maken wij ons misschien ook daarom zo kwaad, omdat dit verwijt tegelijkertijd schijnt te impliceren dat wij laf en kleinmoedig zijn? Maar als er één pertinente lafheid is, dan is het wel je eigen woorden verloochenen, erger nog, datgene verloochenen wat je diep in jezelf weet.

a Liegen is iets laags, een ondeugd waarvan een schrijver uit de oudheid zegt dat het zeer smadelijk is, omdat je daarmee laat zien dat je enerzijds God veracht en anderzijds bang voor de mensen bent. Treffender valt niet uit te drukken hoe mon­ster­lijk, gemeen en ontaard de leugen is. Want is er iets verachte­lijkers denkbaar dan dat je laf bent jegens de mensen en de branie uithangt jegens God? Een verdraaier van woorden is een verraaier van de samenleving, omdat wij ons uitsluitend door woorden met elkaar kunnen verstaan. Woorden zijn het enige voertuig waar wij onze wensen en gedachten mee kunnen overbren­gen, ze zijn de tolk van onze ziel; en als dit voer­tuig defect raakt, zijn wij niet meer met elkaar verbonden en kennen wij elkaar niet meer. Als het voertuig ons in de steek laat, gaat al ons verkeer en gaan al onze maatschappelijke betrekkingen te­loor.”

Helaas zijn de Fransen tegenwoordig niet de enigen meer die van de leugen een deugd maken.’

 

 

(hier verscheen al een stukje over Van Pinxterens Montaigne vertaling

Reageer >
 

Vrienden maken

1 februari 2017 (9:36) | Gilles van der Loo | 2 reacties

Chapter201Ik was te vroeg voor onze afspraak en nam de kaart van Lalla Rookh door, terwijl die in jaren niet veranderd is. Ik bestelde een Parbo, dronk die half leeg en overwoog alvast een roti geit te bestellen toen Bas binnenkwam. Hij bracht kou mee, maar bood me een grote warme hand aan. Onze omhelzing was wat ongemakkelijk vanwege het tafeltje tussen ons in, en vanwege het feit dat dit onze eerste omhelzing was.

‘Eindelijk gelukt,’ zei ik toen we zaten.

‘Gezellig,’ zei Bas. Hij vertelde dat hij het niet laat kon maken en ik zei misschien te snel dat ik daar geen probleem mee had. Binnen een paar tellen werd ons gesprek heel persoonlijk. Ik leerde veel over Bas’ achtergrond en hij – denk ik – over de mijne.

Ik bestelde een roti geit, een roti doks en drie soorten groente voor ons*. We aten. Bas zei dat het lekker was.

Ik keek naar de stekeltjes op zijn sympathieke hoofd en naar de lichte wallen onder zijn ogen en luisterde met stijgende verbazing naar zijn openheid. Na een halfuurtje noteerde ik dat onze eerste afspraak heel erg goed verliep.

Bas ken ik al een jaar of vijftien. Hij is een van de eigenaars van het geweldige café Kingfisher in de Pijp. De laatste jaren zei ik steeds bij het betalen van mijn barrekening dat ik een keer wat met hem wilde drinken, en Bas antwoordde steevast dat we dat moesten doen. Na mijn boekpresentatie in zijn café werd het een afspraak, en nu zaten we tegenover elkaar zonder ooit meer dan een paar grappen gewisseld te hebben.

Van andere recente vaders begrijp ik dat ze alleen tijd hebben voor hun oude vrienden. Ik begrijp dat goed. Toch merk ik dat ik er behoefte aan blijf hebben nieuwe mensen te leren kennen, zelfs nu het daar te druk voor is. Ik kan me niet meer veroorloven het doordeweeks laat te maken, maar krijg er veel voor terug dat (met mate) te blijven doen.

Wie wel eens in de Kingfisher geweest is weet hoe goed er daar gewerkt wordt, met hoeveel vakmanschap en liefde men er achter de bar staat. Zoiets ontstaat niet vanzelf, dat bereik je door als eigenaar in je zaak aanwezig te zijn, door mee te werken. Door een voorbeeldfunctie te vervullen en je personeel tegelijkertijd het gevoel te geven dat je ze vertrouwt. Sommige barmannen werken er al sinds het begin in 1999. Als je nooit in de horeca gewerkt hebt begrijp je waarschijnlijk niet hoeveel opoffering er nodig is om zoiets voor elkaar te krijgen.

Na Lalla Rookh verhuisden we naar een café om de hoek, waar we whisky dronken tegen de kou en tegen Bas’ beginnende griep. We praatten over werk, over de liefde en onze kinderen. Ik besefte hoe weinig we nog van elkaar wisten: hoeveel er te vertellen was. Geen van ons leek haast te hebben.

Rond elven betaalden we de rekening om door ijzige straten richting huis te fietsen. Ter hoogte van de Nieuwmarkt namen we afscheid. De omhelzing was niet ongemakkelijk omdat er geen tafeltje tussen ons in stond en omdat het onze tweede was.

‘Dit was leuk,’ zei Bas.

‘Precies wat ik gehoopt had,’ zei ik, en keek hem na terwijl hij doorfietste naar de Gelderse Kade. Daarna reed ik glimlachend naar huis.

‘Was het fijn?’ vroeg B toen ik in bed stapte.

‘Heel erg,’ zei ik. ‘Ik heb een nieuwe vriend gemaakt.’

 

Lalla Rookh, mensen, op Wijttenbachstraat. Ga erheen. De beste (Hindoestaanse) Surinamer van Amsterdam.

__________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

2 reacties >
 

Alternatieve feiten

28 januari 2017 (15:34) | Arjen van Lith | Geen reacties

beeld Alternatieve feiten

Afgelopen maandag lanceerde Kellyanne Conway, de uitgeteerde adviesblondine van de nieuwe president van Amerika, voor het eerst de term alternative facts. Zonder een spoor van gêne riep ze de kijkers van Meet the Press op om te ontkennen wat ze zelf met hun eigen ogen hadden gezien: ondanks fotomateriaal dat onomstotelijk het tegendeel bewees, hield ze vol dat niet Obama, maar Donald Trump tijdens zijn inauguratie in Washington de grootste mensenmassa ooit op de been had gebracht.

De journalist in mij is woedend dat Trump en zijn team de waarheid steeds opnieuw geweld aandoen, maar als schrijver met een autobiografische inborst moet ik toegeven dat ook ik – zij het met andere motieven dan zelfglorificatie – regelmatig feiten verdraai. En als mens, los van professie of functie, ben ik minstens zo schuldig als Trump, Conway en de rest. Al sinds mijn vroegste jeugd heb ik ruime ervaring met de gepersisteerde leugen.

Ik was zeven toen ik een X-Wing T-65 Space Ship van Star Wars jatte van het broertje van Philomena, zijn naam weet ik niet meer. Hij was een paar jaar jonger en ik ging nooit met hem om, maar toch was ik op een of andere manier op zijn zolderkamer beland. Daar greep ik in een onbewaakt ogenblik het meest handzame ruimteschip dat ik kon vinden, verstopte het onder mijn trui, zei de vader van Philomena, die vogelaar was, beleefd gedag en liep naar buiten.

Dat zijn de feiten. Ik hield niet eens van Star Wars.

Mijn moeder had meteen argwaan. Achter het bed van haar zoon trof ze nog diezelfde avond, duidelijk verstopt, een wezensvreemd stuk speelgoed aan, een dissonant tussen mijn legostenen, kleurpotloden en Kees de pop met een piemel. Oorlogstuig kwam er bij ons niet in, en ik kon het onmogelijk zelf gekocht hebben, want we kregen thuis geen zakgeld.

Tot op dat moment had ik nooit eerder standgehouden tijdens een kruisverhoor door mijn moeder. Met gerichte vragen en een strenge blik die voortdurend versprong van mijn linker- naar mijn rechteroog groef ze net zo lang door mijn geweten tot de aap uit de mouw kwam. Dit keer knakte ik niet: ik had die X-Wing – en trouwens ook een Stormtroopertje met een lasergun – eerlijk gevonden. Het was dus des te onrechtvaardiger dat ik toch zonder eten naar bed moest.

De bel ging. In mijn pyjama, bovenaan de trap, luisterde ik hoe mijn moeder eerst het broertje van Philomena en later ook de vogelaar zelf afpoeierde. ‘Hij slaapt al,’ zei ze voordat ze de voordeur dichtdeed. ‘Morgen zoek ik het uit.’

Waar ik me achteraf het diepst voor schaam, is dat ik haar zelfs mee naar buiten heb genomen om haar de zogenaamde vindplaatsen te laten zien; het poppetje tussen de prikkelbosjes op het schoolplein aan de overkant, en het ruimteschip bij de ingang van de opslagboxen onder de Grote Beer, een flatgebouw even verderop. I doubled down. Ik stapelde leugen op leugen en verwarde mijn moeders sprakeloze afschuw met mijn eigen overtuigingskracht.

In het interval tussen die reconstructie en het huisarrest dat kort daarop volgde, geloofde ik heilig in mijn eigen verzinsels. Mijn moeder heeft nooit helemaal zeker geweten dat ik dat Star Wars-spul daadwerkelijk had gestolen van een weerloze kleuter. Daarvoor had ik veel te veel desinformatie verspreid. Ik heb het nooit toegegeven, tot nu, bijna veertig jaar na de zonde – een bekentenis van een groot kind dat van liegen zijn beroep heeft gemaakt.

___________________

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Stereo

27 januari 2017 (12:08) | Marko van der Wal | Geen reacties

Eigenlijk ben ik audiofiel. Katten zijn bijvoorbeeld thigmofiel, zo noemt Midas Dekkers dat. Ze hunkeren naar de geborenheid van kleine ruimtes, daarom chillen ze dus graag in dozen, en houden ze ervan aan geraakt te worden. Ik hou van muziek – een algemeen verschijnsel – maar nu lijkt het er ook op dat ik muziek om me heen echt nodig heb.

Ik repareerde de stereoinstallatie op de uitgeverij die het al tijden niet meer deed. (Er komt nu tenminste weer wat geluid uit.) Toen ging mijn eigen stereo stuk. You don’t know what you’ve got till it’s gone, zingt Joni Mitchell en dat klopt. Zij, onder anderen, zingt nu even niet meer en dat mis ik enorm. Ik houd zelfs staande dat er sprake is van afkickverschijnselen nu mijn verslaving mij zomaar is afgenomen. Een dag thuis zijn is ineens een uitdaging doordat de muren op me afkomen – of ik bij de muren opvlieg. Geluid uit een laptop is gewoon niet hetzelfde als van een cd (of plaat, maar die slag heb ik nooit gemaakt). Was ik maar thigmofiel.

Het zit me dwars dat ik deze geluidsinstallatie niet zelf kan repareren, terwijl ik normaal gesproken een heel eind kom met het zelf oplossen van technische mankementen. Van de mechanische diepten van de cd-speler heb ik helaas geen kaas gegeten. Het is me ooit weleens gelukt een cd-wisselaar te repareren – overigens zonder dat de eigenaar het in de gaten had – maar dat gaat me ditmaal niet lukken. Terwijl ik nog zo gehecht ben aan mijn stereoset! Ik kocht het voor een zuur gespaarde smak geld in groep 7 of 8, geloof ik, en datzelfde apparaat is dus al ongeveer een jaar of 17 bij me. Er zitten zelfs twee cassettedecks op, het was toen waarschijnlijk al een verouderd model, hoe jaren negentig wil je het hebben!

Ik zit nu met al mijn geliefde cd’s waar ik niets mee kan behalve ernaar kijken. Audiofilie lijkt me nogal typisch voor de mens. Ik moet er niet aan denken dat de kat ook nog audiofiel zou zijn, dan moet je weer andermans (anderdiers) muziek aanhoren. Er zijn vast aapsoorten die audiofiel zouden kunnen zijn of worden, mogelijk zelf in staat zijn muziek te maken. Het tegenovergestelde bestaat overigens ook, de misofoon. Die haat dus muziek, of bij uitbreiding alle geluid. Ik heb er ooit een ontmoet op een barbecue, het genoegen kon niet korter wezen, want zij zonderde zich vrijwel onmiddellijk af.

Er zijn natuurlijk ook heel vervelende geluiden. De net te luide koptelefoon in de trein, waardoor je eigenlijk dat ding van diegene z’n hoofd wil rukken om te roepen dat dat dus slecht voor je is. Of überhaupt een slechte muzieksmaak, die van je buren of zo. Nagels op een krijtbord, staal op staal. Nu de stereo op de uitgeverij het weer doet hoeft de stagiair nooit meer zijn oordopjes met Franse chansons in, draaien we weer vrijuit Haydn en Mendelssohn. En  des te meer besef ik dat ik als de bliksem weer goed geluid in huis moet halen.

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds drie jaar blogt hij voor tirade.nu.

Reageer >
 

Astronaut – de waarheid is ziek

26 januari 2017 (7:00) | Menno Hartman | Geen reacties

2017-01-25_172309De waarheid is ernstig ziek. Ze ligt te bed en vele twitterkoningen kotsen over haar heen. De waarheid doet er niet meer toe, veel volgers hebben is belangrijker dan de waarheid spreken omdat ‘de mensen’ niet om de waarheid geven.  Hard schreeuwen volstaat voor een positie aan de macht. De klassieke media behoeven onze steun omdat ze de laatste moeilijke hobbel zijn van dictators op hun weg naar een weerspraakloze toekomst.

Ook ogenschijnlijk minder kwalijke veelsprekers als kijkcijferkanonnen en Bekende Nederlanders leveren hun bijdrage aan de bedlegerigheid van de waarheid: ze belichten zo eenzijdig.

Dit is ons medicijn: http://astronaut.io/

Als je erop klikt, geraak je op een website bedacht door  Andrew Wong and James Thompson op een zonnige dag  in San Francisco in 2011. Ze tonen op deze website de minst bekeken youtube filmpjes. Vaak ben je de eerste die zo’n footage bekijkt.

‘They were uploaded in the last week and have titles like DSC 1234 and IMG 4321. They have almost zero previous views. They are unnamed, unedited, and unseen by anyone but YOU.’

Wat we zien is daarmee het ultieme tegengeluid van een twitterende trump: het is waar, door niemand gezien en laat mensen in hun waarde. Vreemd genoeg heeft het bekijken van de minst aansprekende filmpjes op youtube een intens zuiverende werking.

De waarheid kucht nog een keer, maar verheft zich langzaam van haar sponde en kijkt de wereld in. Volhouden maar. We zijn niet alleen.

——————–

 

met dank aan Mike Naafs

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Is verder voor de uitgeverij verdiept in het boek van nobelprijswinnaar Niko Tinbergen over zijn reis naar en verblijf op  Groenland: Eskimoland.

Te verschijnen in maart.

 

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Reageer >
 

Gods hand

25 januari 2017 (9:36) | Gilles van der Loo | 2 reacties

IMG_2475Ik was in Sloterdijk. Niet het station maar het dorp, of wat daarvan over is. Reden voor mijn bezoek was de intentie een boek te schrijven over een kleine gemeenschap die door een wereldstad wordt ingesloten.

Ik had een afspraak met de beheerder van de kerk, die me gevraagd had na een uitvaart langs te komen, omdat hij er dan tóch zou zijn.

De begrafenis liep uit en ik hing rond voor de poort toen een kordate zeventiger de kerk uit beende. Zijn blik was op iets vlak boven mijn hoofd gericht, alsof ik nu al tekortschoot.

‘Zo,’ blafte hij. ‘Dus jij bent De Schrijver.’

Restjes rouwenden schrokken op. Waar kende ik die sterke wens te krimpen, me te verstoppen van? Toen de beheerder bij me aangekomen was wist ik het. De man moest een gepensioneerd docent zijn. Ik herinner me ze: leraren die nooit gedonder in hun klas hadden. Een kunstje dat ze zelf natuurlijke autoriteit noemden, maar dat je op elke hondenschool kunt leren.

Binnen minuten – en zonder zijn werk te staken – sloot hij een nauwelijks door mij onderbroken en duidelijk eindeloos herhaald verhaal af met een glimlachend: ‘dus ik weet niet wat je hier eigenlijk komt zoeken.’

Het aparte aan de manier waarop hij over zijn dorp sprak was dat hij me tegelijkertijd liet geloven dat hij de persoon was die over alle informatie beschikte, maar me ook absoluut niet zou gaan helpen om die te verzamelen.

‘Alles,’ zei hij. ‘Alles heb ik thuis. Ik heb jaren gevochten om het dorpsarchief terug te krijgen, en uiteindelijk heeft de gemeente me gelijk gegeven.’

Vraag dan, leek hij te willen overbrengen. Vraag dan door.

‘Het interesseert me,’ zei ik. ‘Een dorp dat door de stad verzwolgen wordt, maar er geen deel van uit gaat maken. Misschien wordt Sloterdijk het uitgangspunt voor mijn volgende boek.’

Hij knikte, rammelde met zijn sleutelbos, en ik besefte dat ons gesprek – de ruimte die hij me had toebedeeld – voorbij was. De beheerder was alleen nog bezig de deur te sluiten.

‘Hoeveel ik er niet op de stoep heb gehad,’ zei hij. ‘Mensen zoals jij. Hoeveel ik ze niet verteld heb. Maar het is steeds hetzelfde liedje: je vindt je woorden verdraaid terug in een of andere scriptie. Niks, geef ik ze meer. Helemaal niks.’

‘Je kent het dorp van vóór de ring? Vóór het station?’

Hij hoefde niet te reageren op de vraag die ik niet had hoeven stellen. De lucht was grijs als het geluidsscherm van de A10, en even was het mogelijk te geloven dat de snelweg een dijk was, met uitgestrekt polderland erachter. Maar we staan al op de dijk, dacht ik.

‘Weet je waarom jij hier nu kan staan?’ Hij trok zijn zware wenkbrauwen op en knikte naar een verte die er niet meer is. ‘De Dag des Oordeels.’

Als de A10 niet voor een constante ruis gezorgd had was er een stilte gevallen. Ik weigerde te happen naar de wortel van de beheerder. Hij leek het niet te merken.

‘Den Uyl. De hufter. Wilde alles platgooien voor de ellende die je nu ziet.’ Hij begon een weids gebaar, maar liet zijn armen weer langs zijn zij vallen. De ellende was alom. ‘Uiteindelijk kwam het op het Einde der Tijden aan. De graven hier, dat zijn familiegraven, gekocht tot de wederopstanding.’ Voor het eerst in tien minuten keek hij me aan; de haartjes in mijn nek sprongen overeind.

‘Dus god heeft het dorp gered?’

‘Ik wens je succes,’ zei de beheerder terwijl hij wegliep. Zijn rug was breed, zijn jasje grijs als de wachtende zerken van Sloterdijk.

__________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

2 reacties >
 

In memoriam Robert Anker 1946-2017

23 januari 2017 (10:55) | Gastbijdrage | Geen reacties

door Ingrid van der Graaf

Op vrijdag 20 januari, de dag dat zijn nieuwste boek In de wereld uitkwam, overleed Robert Anker na een kort ziekbed in zijn woonplaats Amsterdam. Anker publiceerde met grote regelmaat en werd geroemd om zijn schrijfkunst en zijn lust tot schrijven die – volgens een recensent in Trouw – van de bladzijden afspat. Hij hield ervan zichzelf steeds opnieuw uit te vinden, zijn hele oeuvre kent dan ook een grote verscheidenheid in taal en thematiek. Toch was er een ding dat zijn werk kenmerkte en dat was zijn fascinatie voor de ontreddering van de mens. Hij voelde zich aangetrokken tot de verloedering van de mens, in al zijn vormen. Ook zijn nieuwe (historische) roman gaat over een gegoede burger die uit de samenleving wordt gestoten omdat hij aan lepra lijdt.

Nadat er enkele gedichten van hem in De Revisor en Tirade verschenen waren, debuteerde hij in 1979 met de bundel Waar ik nog ben, gebaseerd op zijn jeugd in het West-Friese Oostwoud, waar hij geboren was. Voor zijn tweede bundel Van het balkon (1983) ontving hij de Jan Campertprijs en voor Nieuwe veters (1987) de Herman Gorterprijs. In 1993 kreeg hij de F. Bordewijkprijs voor De thuiskomst van kapitein Rob, (Twee novellen en een brief). Met zijn roman Een soort Engeland (2001) won hij de Libris Literatuur Prijs. Ook werd hij twee keer genomineerd voor de VSB Poëzieprijs en stond hij met De vergever op de longlist van de ECI Literatuurprijs 2016.

Anker was eind jaren tachtig, begin jaren negentig redacteur van Tirade en tot zijn zestigste combineerde hij zijn schrijverschap met zijn leraarschap Nederlands op een middelbare school. Ook was hij jarenlang poëzierecensent bij Het Parool.

Anker schreef veelal registrerend waarmee hij diverse werelden kon oproepen en door zijn zelfspot (vooral in zijn poëzie) ontstaat er vaak een stil soort humor die je doet glimlachen.

Plotseling begon iemand van ons onbedaarlijk
te vloeken is het godverdomme
alweer vier jaar geleden
dat Bert stierf en wanneer Hans
wanneer is Hans verdomme en Dian?
We konden hem niet kalmeren
daarvoor was zijn woede te groot
terwijl het toch zo eenvoudig is.

Uit: Nieuwe veters. Verzamelde gedichten 1979-2006

Zijn laatste boek In de wereld wordt woensdag 25 januari gepresenteerd in het Cultureel Studentencentrum CREA van de Universiteit van Amsterdam.

 

Dit in memoriam verscheen eerder op de website van Literair Nederland.

Reageer >
 

Schoonheid

22 januari 2017 (10:54) | Hassnae Bouazza | Geen reacties

tear-gas-grenade-flower-pots-palestine-10

Op het moment dat dit stuk online verschijnt, zal het Writers Unlimited Festival bijna ten einde zijn. Vier dagen lang waren schrijvers uit Nederland en de rest van de wereld in Den Haag om in gesprek te gaan, de wereld te overdenken en – dat maakt het festival zo geslaagd- plezier te hebben. Daar waar humor en ernst samenvallen, onstaan de mooiste ideeen en gedachten.

Er wordt de laatste jaren steeds meer blasé gedaan over kunst en cultuur. Het wordt gezien als iets elitairs, als geldverspilling of een rijkeluis hobby. Maar als kunst en cultuur juist iets kunnen, dan toch zeker de verbinding aangaan, werelden onsluieren en verbinden en alternatieve visies bieden die ondergesneeuwd raken in het dagelijkse leven.

Literatuur, bovendien, schept hele werelden waarin lezers op kunnen gaan om de dagelijkse realiteit te ontvluchten of juist aan te kunnen.

Het woord hoop viel regelmatig. In deze roerige tijden, zoeken mensen naar lichtpuntjes, naar tekenen van hoop. Maar op zoiets ongrijpbaars als hoop moet je niet wachten, zei de Turkse schrijfster Ece Temelkuran. Het gaat om schoonheid, het creëren van schoonheid, het zien van schoonheid op de meest onverwachte plekken en momenten.

Het belang van schoonheid benadrukte ook de Roemeense schrijver Mircea Cărtărescu. Het mooie zien te midden van het grauw, de lelijkheid en wanhoop. Misschien is schoonheid wel gewoon de belichaming van hoop:  je hoeft er niet op te wachten, het is er al, je ziet het, het geeft troost en schetst een beter vooruitzicht.

hassnaebouazza-foto-annelies-verhelstHassnae Bouazza is journalist, columnist, vertaler en programmamaker. Ze was regisseur en eindredacteur van de zesdelige documentaireserie Seks en de Zonde en heeft haar eigen online glossy Aicha Qandisha.
Foto: Annelies Verhelst

Reageer >
 

Klachtbrief (3)

21 januari 2017 (10:44) | Arjen van Lith | Geen reacties

beeld klachtbrief

Amsterdam, 21 januari 2017

Geachte filiaalmanager,

Zoals u misschien al uit uw verkoopcijfers heeft kunnen afleiden, doe ik niet langer mijn dagelijkse inkopen bij uw Albert Heijn-vestiging aan het Hugo de Grootplein. Ik kan er niet meer tegen. Ieder bezoek aan uw winkel is voor mij een bezoeking, terwijl u zelf waarschijnlijk geen benul heeft van het leed dat u me de afgelopen tien jaar heeft aangedaan.

Vandaar dus deze brief.

Ik ben die man met die grijze pet en die dikke zwarte bril die altijd tijdens kantooruren boodschappen kwam doen: een fles cola, vochtige doekjes en een bakje Macadamia notenmix. Ik ben schrijver. Ik observeer, dat kan ik niet uitzetten. Ik luister. En wat ik in uw zaak heb gehoord, daar gingen mijn nekharen rechtovereind van staan.

Van alle zintuigelijke prikkels die een mens tot zich kan nemen, is geluid bij mij dominant. Het maakt het meeste in me los, ondanks een hardnekkige vetprop in mijn linkeroor waardoor ik het vaak verkeerd of afwijkend interpreteer. Ik ben de eerste om toe te geven dat ik het verschil niet hoor tussen piepende gympies op een sportvloer en een gewond huisdier. In het opstarten van internet via een ouderwetse inbelverbinding hoor ik brandende kinderen in een perspex buis. Juist die strikt persoonlijke, idiosyncratische waarnemingen en de associaties die zij bij me oproepen, maken mijn werk hopelijk de moeite van het lezen waard, al kan ik er nog niet zelfstandig van leven.

Ik lijd onder sommige geluiden. Waar u het mechanisch doorrollen van de reclameposters in de displays bij de ingang hoort, daar hoor ik iets heel anders. Steeds wanneer de volgende bonusaanbieding in beeld scrolt, hoor ik een alarmerend hoge, maar toch onmiskenbare mannenstem in een langgerekte oerbrul, alsof de teennagels van de schreeuwer één voor één worden uitgetrokken: ‘WHOAWHOAWHOAWHOAWHOAWHOAAAAAAW!’* Ondraaglijk lijden in hoofdletters, maar tegelijkertijd toch heel zacht; het gekrijs komt nooit boven de supermarktmuzak uit.

Nogmaals, ik ben al tien jaar klant. Ik weet wat ik kan verwachten. Die posters draaien met een ijzeren regelmaat iedere vijftien seconden door naar de volgende, en toch schrik ik er iedere keer opnieuw van. Ik vergelijk het altijd maar met de Holocaust: de dood went nooit.

U merkt, het is dus geen kwestie van volume of verrassing. Ook zachte, voorspelbare geluiden kunnen bij mij door merg en been gaan; dat heeft meer te maken met de pitch en de intensiteit. Nee, het feit dat die wanhoopskreten steeds zo gedempt doorklinken, roept bij mij alleen maar méér bange vragen op. Misschien komt het gegil helemaal niet van de bonusaanbiedingen, maar uit het kantoortje achter de wand waaraan ze hangen. Het kantoortje waar ú werkt en uw personeel luncht. Wat voor middeleeuwse taferelen spelen zich daar in vredesnaam af?

Hoe u uw collega’s behandelt is uw zaak, maar ik laat me niet langer martelen met de consequenties. Ik ben veel te fijnbesnaard om steeds te moeten horen hoe gruwelijk de echte wereld is. De verbeelding is al erg genoeg. Daarom zult u mij niet langer in uw filiaal tegenkomen. Ik winkel voortaan pijnvrij bij de Turk aan de overkant, waar ze ook vaatwastabletten hebben en Arabische hiphop draaien.

Hoogachtend,

 

A.

______________________

* Op z’n Engels.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016
 
Nr.462 Nr.463 Nr.464 Nr.465
 
bestel
 
 
voorpagina