Het recht op tijdloosheid

8 maart 2017 (9:08) | Gilles van der Loo | Geen reacties

DSC_0679Na een reis van twaalf uur hobbelde ons huurautootje over de stenige landweg die Ounara met Had Draa verbond.

Nog even en we zouden aankomen bij het naamloze gehuchtje dat door onze routebeschrijving slechts werd aangeduid met à droite après 11,6 KM. 

We moesten een paar keer stoppen voor overstekende geiten en dromedarissen, die door een oververmoeide en inmiddels geïmplodeerde Nadim met matige interesse werden gevolgd. In de dagen voor ons vertrek had hij niet kunnen slapen van het vooruitzicht deze dieren in het wild te zien.

In de spiegel keek ik naar B, en naar het Marokkaanse landschap in de glazen van haar zonnebril. Ik reikte over mijn schouder en ze pakte mijn hand. Ik dacht aan onze reizen voordat de kinderen er waren en kreeg heimwee. Ada snurkte op de achterbank, de zwoele geur van slapende baby verspreidend door de auto.

Tegen het einde van de middag aten we op het terras van het gestapeldstenen huis. De buurvrouw had – op verzoek van de eigenaars – een tajine met geit gebracht. We aten langzaam van het vlees en de doorgare heerlijke groenten.

Voor het eerst in jaren zouden we tien dagen zonder zelfs maar kans op internet zitten. Er leken meren tijd tussen de middag en de avond, de avond en de nacht te liggen. Omdat er geen verwarming was sprokkelden Nadim en ik in de velden van het gehucht, en toen het schemerde stookten we een vuurtje van argantakken en olijfhout.

In de dagen die volgden ontdekten we de omgeving. Mijn laatste keer in een Arabisch land was lang geleden, maar de mensen waren nog even warm en gastvrij. Ik miste mijn horloge niet. We aten wanneer we honger kregen en wandelden over de eindeloze ezelpaadjes die de akkers doorkruisten. Steeds was er het ruisen van de golven aan de kust ter hoogte van Essaouira. Verdwalen was onmogelijk door de zon, de bergen, de zee.

Als een heuvel hoog genoeg was dan kon je hem zien liggen: de machtige Atlantische Oceaan.

We gingen naar bed als het donker werd, en voor het eerste licht stond ik op om vuur en koffie te maken. Na twee nachten wist ik niet meer welke dag van de week het was, welk uur van de dag. Bij het ontbreken van tijd leek mijn besef van plaats te groeien.

Ik pikte snel weer wat Arabisch op; kocht groenten en vlees op de souk van Had Draa en werd verliefd op het land, de mensen. Een verkeersagent hield ons staande en excuseerde zich voor de boete die hij uit moest schrijven. Bij ons afscheid aaide hij me over mijn rug en bood nogmaals – ook namens zijn collega – zijn excuses aan.

Bij terugkomst in Nederland las ik in een Volkskrant van de opgespaarde stapel over het recht op onbereikbaarheid dat in Frankrijk onderwerp van gesprek is.

Onbereikbaarheid is stap één, wat mij betreft. Een recht op tijdloosheid, daar is de echte winst te halen.

______________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Dit nooit meer

5 maart 2017 (7:00) | Alex Philippa | Geen reacties

Rampspoed overkomt mij zelden en ik heb een gebrekkig inlevingsvermogen. De Twin Towers boezemden geen angst of medelijden in, voor de tsunami op tweede kerstdag gaf ik nukkig en onder ouderlijke drang geld aan het speciale gironummer. De dood van een celebrity ontvang ik met schouderophalen. Literatuur biedt godzijdank een mogelijkheid wél iets te voelen.

Afgelopen winter bezocht ik Praag. Een prachtige stad, dat als knooppunt van cultureel, religieus en economisch Europa een doordringende historiciteit uitademt. Daar bezocht ik de Sint-Cyrillus en Sint-Methodiuskerk, de laatste schuilplaats van de verzetsstrijders Jozef Gabčik en Jan Kubiš. Het staat een honderd meter van het Dansende Huis. Deze twee Tsjechische verzetsstrijders hebben het nazikopstuk Reinhard ‘de beul van Praag’ Heydrich vermoord.

Laurent Binet vertelt in HhhH (Himmlers hersens heten Heydrich) het verhaal van deze strijders en het tumultueuze verloop van de dag van de moord. Hoe gedetailleerd en verfijnd het boek geschreven is, ondervond ik des te meer toen ik in diezelfde kerk stond. De informatieplakkaten vertelden in het gebouw het belangrijke maar grotendeels vergeten verhaal. Ze verhaalden over de verkeerde drop location, over weigerende wapens, over de anti-tankgranaat geworpen in Heydrichs auto. Over de spanning en angst die de rebellen voelden in de crypte van de kerk waar zij scholen.

In diezelfde crypte kan je bij het grafmonument van de verzetsstrijders staan. Zien door welk vloerluik zij naar de nazi-officieren hebben geschoten, hetzelfde luik waardoorheen uiteindelijk de fatale gasgranaten zijn gegooid. Op die locatie beklemt de wanhoop en het noodzakelijke verzet je. Bovenal beklemt angst, de angst dat er weer een dergelijk verzet nodig zou zijn.

Deze twee heren hadden tenminste de mogelijkheid tot verzet. In zijn verbijsterende roman Is dit een mens beschrijft Primo Levi de uitzichtloosheid en totale dehumanisering van het Monowitzconcentratiekamp, een onderdeel van het Auschwitzcomplex. In zulke omstandigheden bestaan geen mogelijkheden tot verzet, geeft Levi toe. Het is ieder voor zich. De kampwerkers stonden elkaar om hun goederen naar het leven, ook al betekende zo’n extra hemd of lepel absoluut gezien weinig.

Een treurig en moeizaam verslag, zeker. Maar de literaire kracht komt echt naar voren in de Dantescène. Levi probeert een jongere kampgenoot in te krappe tijd en met een geheugen dat hem in de steek laat de schoonheid van Dantes Inferno te tonen. De drang en noodzaak om te midden van het ontmenselijkte kamp de wonderschone poëzie over te dragen en daar voortdurend niet in te slagen, stelt ontzettend droevig. Ik heb in tijden niet zo gehuild om een boek. Nu vreemdelingenangst voortwoekert is Primo Levi’s verslag een ontroerende herinnering aan onze menselijkheid. En aan de gebreken daarvan.

 

ProfielfotoAlex Philippa (1994) studeert klassieke talen en wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam en is hoofdredacteur bij defusie.net.

Reageer >
 

Het slechte pad

4 maart 2017 (7:01) | Arjen van Lith | Geen reacties

RESIST-Trump-verzamel

Sinds de verkiezing van Donald Trump zijn miljoenen Amerikanen de straat opgegaan om hun ongenoegen te uiten. Hoewel het recht op vreedzame demonstraties verankerd is in de grondwet, hebben diverse afzonderlijke staten wetsvoorstellen ingediend die dit zowel moeilijker als gevaarlijker maken: het recht op demonstreren wordt in toenemende mate gecriminaliseerd, zogenaamd vanwege de openbare veiligheid. Het ministerie van Homeland Security beschouwt de woede om de verkiezing en de plannen van Trump als een aanjager van ‘domestic terrorism.’ 

Behalve journalist en schrijver is Arjen van Lith ook parttime activist en vandalist. In Texas staat op het spuiten van graffiti met een schade van meer dan 1500 dollar een gevangenisstraf van 180 dagen en een boete van maximaal 10.000 dollar. Dat heb je zo bij elkaar gespoten.

 

Reageer >
 

Een hartverwarmend Iers rebel

2 maart 2017 (11:09) | Menno Hartman | Geen reacties

Een ding weten we zeker: er zit geen thee in dat kopje, en dat pinkje is een verwijt aan de Engelsen.

Twee dingen weten we zeker: er zit geen thee in dat kopje, en dat pinkje is een verwijt aan de Engelsen.

‘Mevrouw Cloonoe dankte haar faam aan het feit dat ze haar dronken echtgenoot bij Mulliger in het kanaal had geduwd, een daad waarmee ze zich bij vrienden en geburen een reputatie van grote wijsheid had verworven.’

De Ierse zaak‘ laat zich redelijk aflezen uit geweldige romans als The story of Luce Gault, van William Trevor, of de boeken van Sebastian Barry, The Secret Scripture of On Canaans Site. Alle romans waarin de Blacks and Tans, 1919, 1921, Eamon de Valera etc. een rol spelen.  Barry laat zien hoe lang de politieke roerselen in persoonlijke levens dooretteren, en hoe families die beïnvloed raken door de onafhankelijkheidstrijd onderling in conflict raken, maar ook hoe binnen gezinnen deze strijd voortwoekerde.  In zijn laatste boek A Temporary Gentleman speelt ook de andere grote Wreker van Ierland een mooie rol: de drank.

Zo’n zin als hier bovenaan is hartverwarmend, hij komt uit de mond van Brendan Behan, en werd opgetekend van een bandopnamen  van Rae Jeffs, zijn redactrice. Behan was in de woorden van Cees Nooteboom ‘een kroegtijger met het uiterlijk van een Belgische slager’ zo staat te lezen in een biografische schets die Karel Wasch van Behan optekende, recent verschenen bij uitgeverij Prominent: Gevangen vrijbuiter. Over het leven van Brendan Behan (1923-1964).

In de Privédomein-reeks van de Arbeiderspers verscheen Bekentenissen van een Ierse rebel. Het is een meeslepend boek, Behan is een boef, loopt met doorgeladen revolvers rond, ‘never unwilling to bend an ellbow’ zoals die ‘bekakte’ Engelsen zeggen, oftewel een rasalcoholicus. Maar een hart van goud. Je kunt dit boek niet lezen zonder van de man te gaan houden, een hele rauwe vent, met een schitterende geest, zonder poeha. Bij de minste gelegenheid barst hij uit in het zingen van volkswijsjes, hij heeft schijt aan zowel de ‘officiële’ IRA als de Britten, maar generaliseert nooit, overal zitten ook goede mensen tussen. We volgen hem bij klusjes, in de nor, waar hij boeken leest en zijn Iers vervolmaakt.

Behan heeft een vertelstem die door een opname-apparaat, na redactie, na vertaling nog overkomt als uit éen stuk. Hij is een geweldige vent. Moeilijke tijden mooie mensen, mooie tijden moeilijke mensen, ga je denken als je Behan leest.

 

——————————–

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Reageer >
 

G-l-o-r-i-a

26 februari 2017 (9:07) | Irwan Droog | Geen reacties

Foto bij blogje 4‘Jesus died for somebody’s sins, but not mine.’ Het is de eerste regel van het eerste nummer van het eerste album van Patti Smith. Dat weet ik alleen omdat ik haar muziek eigenlijk pas sinds kort luister; dat eerste album, Horses, staat nu al een week op repeat.

Voordat ik Horses voor het eerst luisterde, las ik Just Kids, de memoires die Patti Smith schreef over haar jeugd, haar beginjaren in New York en haar ontmoeting en verbondenheid met Robert Mapplethorpe. Beiden stevenen ze af op wereldfaam, maar weten dat zelf natuurlijk nog niet – al is de ambitie van Mapplethorpe enorm. Wat me vooral trof aan het boek was de sympathieke vertelstem van Smith, die constant vol compassie en empathie is, nergens oordeelt, en met de juiste details en anekdotes een prachtig tijdsbeeld oproept. Het legendarische Chelsea Hotel, de clubs en restaurants waar muzikanten en kunstenaars samenkomen, waar Janis Joplin met haar band aan de ene tafel zit, Jimi Hendrix aan een andere tafel zit te eten, Jefferson Airplane en Country Joe and the Fish samen in een andere hoek zitten – en daar loopt de jonge Smith, op dat moment nog zonder enig idee dat ze zelf zou gaan zingen.

Mooi is ook om te zien hoe dat idee ontstaat en groeit: eerst Jim Morrison zien optreden en denken ‘dat zou ik ook kunnen’, dan door Bobby Neuwirth aan het werk gezet worden (‘next time I see you I want a song out of you’), en tot slot voor het eerst poëzie voordragen met muzikale begeleiding. De combinatie werkt en opent nieuwe deuren: zo was die zin ‘Jesus died for somebody’s sins, but not mine’ eerst onderdeel van het gedicht ‘Oath’, voordat Smith de tekst op muziek zette – wat resulteerde in een briljante bewerking van Van Morrisons ‘Gloria’. (Lees hier over die bewerking, en luister naar het gedicht, met én zonder gitarist – en hier naar het uiteindelijke ‘Gloria’.)

Wanneer haar band in 1975 compleet is, en Smith voor het eerst in volledige bezetting het podium betreedt, valt alles op zijn plaats:

The night, as the saying goes, was a jewel in our crown. We played as one, and the pulse and pitch of the band spiraled us into another dimension. Yet with all that swirling around me, I could feel another presence as surely as the rabbit senses the hound. He was there. I suddenly understood the nature of the electric air. Bob Dylan had entered the club. This knowledge had a strange effect on me. Instead of humbled, I felt a power, perhaps his; but I also felt my own worth and the worth of my band. It seemed for me a night of initiation, where I had to become fully myself in the presence of the one I had modeled myself after.

Ik schreef eerder over Dylan, wiens ‘A Hard Rain’s a-Gonna Fall’ Smith (ook weer zo gloedvol) vertolkte voor het Nobelprijscomité, waarmee er wat kleine cirkels rond zijn. Bovendien: die albumtitel Horses doet ook erg denken aan de herhaalde paarden in de teksten van Josh Ritter (en dan heb ik het nog niet eens gehad over Willy Vlautin, frontman van de band Richmond Fontaine en geweldig schrijver, die met Lean on Pete net als Ritter een roman over een man en een paard schreef).
Na Just Kids ben ik direct begonnen in Smiths meest recente boek, M Train; maar Horses blijft nog even op repeat staan.

Irwan Droog © Floor SchrijversIrwan Droog (Den Haag, 1984) studeerde Nederlandse letterkunde en literatuurwetenschap aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij zat in de redactie van Recensieweb en Tijdschrift Ei. Voor Tirade schreef hij eerder een artikel over het werk van John Steinbeck. Van 2012 tot 2017 was hij redacteur bij Uitgeverij Cossee. Hij is medeoprichter van de J.M.A. Biesheuvelprijs, de eerste literaire prijs voor korteverhalenbundels. Sinds begin 2017 werkt hij als zelfstandig redacteur en vormgever. © foto Floor Schrijvers

Reageer >
 

BJURSTA

25 februari 2017 (8:31) | Arjen van Lith | Geen reacties

IKEA

Geachte IKEA,

Ieder mens, waar ook ter wereld, wordt op enig moment geconfronteerd met omstandigheden die het uiterste van hem vergen, die zijn leven opdelen in een vóór en een na: oorlogen, ernstige ziekte, hongersnood, het verlies van dierbaren, of, zoals in mijn geval, het in elkaar zetten van uw BJURSTA uitschuifbare eettafel voor vier tot zes personen.

Om herhaling van trauma’s uit het verleden te voorkomen, had ik alvast de hulp ingeroepen van een bevriende ingenieur met een PhD in hardware design aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT) in Cambridge. U vindt zijn cv in de bijlage van deze brief. Hoewel zijn rol slechts facilitair van aard was, bleek hij van onschatbare waarde. Zijn meegebrachte gereedschap bestond onder meer uit een slijptol, MIG/MAG lasapparatuur, een lamellendeuvelfrees en niet één, maar twee betonscharen. Kortom, een veel uitgebreider assortiment dan enkel de hamer en kruiskopschroevendraaier die u in de – verder tekstloze – instructiefolder aanbeveelt. Niemand kan dus beweren dat ik me onvoorbereid in dit avontuur heb gestort.

Nadat ik beide dozen van de BJURSTA eettafel voor vier tot zes personen had opengemaakt, vroegen de bevriende ingenieur en ik ons af waarom dit bouwpakket uit maar liefst 127 verschillende onderdelen bestaat. Waarom zo absurd veel voor een blad met slechts vier poten? En wat is dat eigenlijk voor een raar oneven getal? De bevriende ingenieur, die heeft doorgeleerd voor rekenen, wist me zelfs te vertellen dat dit een priemgetal is.* Dat beangstigde me een beetje. Is het niet veel logischer dat de totale hoeveelheid componenten – zeker gezien het aantal aanschuifbare personen – deelbaar is door zes, vier, of in ieder geval twee, in plaats van alleen door zichzelf? Ontbreekt er misschien iets in het pakket? Heeft de dienstdoende assemblant aan de lopende band zitten slapen? Is dit project dus al bij voorbaat gedoemd te mislukken? Met andere woorden: wilt u mij soms kapotmaken?

Hoewel we nog niet eens waren begonnen, leek dit ons een goed moment om een korte pauze in te lassen.

Ik ben niet religieus opgevoed, maar volgens de bevriende ingenieur leert de bijbel ons dat alle lijden voortkomt uit de vraag ‘waarom ik?’ In casu: waarom zit uitgerekend ik opgescheept met een uitschuifbare priemtafel voor vier tot zes personen? Juist in dit soort gevallen van geestelijke nood kunnen oude geschriften troost en inzicht bieden. Jezus was niet voor niets de zoon van een timmerman.

U mag best weten dat ik vandaag even een traan heb moeten laten, daar schaam ik me niet voor. In het begin uit zelfmedelijden om mijn lot en twee linkerhanden, maar later, toen het werk langzaam toch leek te vorderen, huilde ik vooral van geluk en uiteindelijk zelfs van trots dat de BJURSTA ondanks alles toch nog gestalte heeft gekregen. Ik heb zelfs nog wat onderdelen over!

Daarom wil ik u langs deze weg hartelijk bedanken. Met uw uitschuifbare mysterie heeft u de klusser in mij doen ontwaken – wie had dat ooit gedacht? Volgend jaar vraag ik een accuschroefboormachine voor mijn verjaardag, met bitjes! Ik heb me in jaren niet zo mannelijk gevoeld.

Met vriendelijke groeten,

A

_________________

* 127 is niet zomaar een priemgetal, maar een Mersennepriemgetal, vernoemd naar de Franse wiskundige uit de zeventiende eeuw. Dit is een positief geheel getal dat precies één kleiner is dan een macht van twee, waarvan het exponent zelf ook weer een priemgetal is, in dit geval zeven: 127 = 27 – 1.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

 

Reageer >
 

Notities (6)

24 februari 2017 (11:11) | Marko van der Wal | Geen reacties

* ‘Een echt HP printer! Zomaar op straat, jongens. In Aleppo kunnen ze wel een printer gebruiken! Aleppo! Aleppoooooooooo! Een echte, nieuw uit de doos, met bluetooth. Een echte HP D4560 met bluetooth!’ Beneden op straat stond een van de dorpsgekken van Amsterdam te kraaien dat het een aard had. ‘Ik hoor jullie niet! Een nieuwe printer, met dank aan de VVD. Zeg maar: dank je wel VVD, dat jullie deze printer gloednieuw aan de straat zetten. Is dat nou democratie? Ik zei: is dat nou democratie?! Democratie!!! Geef antwoord.’ Het was nog voor achten. Er stonden alleen wat werklui hun gereedschap uit te laden. ‘Zien jullie niet hoe oneerlijk het verdeeld is in dit land? Vrouwen werken niet, en weet je waarom? Omdat ze dat niet kunnen! Zijn er hier nog vrouwen aan het werk? Nou, je hoort het: geen antwoord.’ Een van de mannen had een kleine stormram in zijn hand, een ander een stronk van een gisteren omgewaaide boom. Buiten kon je een kanon afschieten. Ik dacht aan Richard Klinkhamer en Woensdag gehaktdag. ‘Een printer. Een printer! Mijn koninkrijk voor een printer in Aleppo!’ De man lalde nog wat verderop in de straat. Hij was nauwelijks uit het zicht verdwenen of er stopte een busje met Bulgaars kenteken. Een dame met weelderig donker haar stapte uit, opende de achterdeur en mikte de printer geroutineerd tussen haar andere gejutte spul. Ze stak haar duim op naar de bouwvakkers en reed verder.

* Pauze in het Concertgebouw. ‘Ben je al naar Moonlight geweest? Nee, dan moet je snel gaan hoor. Die film gaat onmiddellijk onder je huid zitten. Ik had dat ook een paar jaar geleden met, hoe heet die film ook alweer, Black Swan. Die ging me ook zo onder mijn huid zitten. Heel intens.’ Ik stel me voor dat de twee dames naast me hier in de buurt wonen, misschien wel getrouwd zijn met een medisch specialist of advocaat, en straks weer naar huis gaan om voor het slapen nog even de nieuwste roman van Paul Auster op te pakken. Niet om verwonderd te raken maar om erover te kunnen meepraten. Publiek van het type meteen-een-staande-ovatie-want-prachtig en kunst-niet-omdat-het-kan-maar-omdat-het-moet. Ik waak ervoor mee te lopen met zulk klapvee; geen enkele uiting van kunst/cultuur is gebaat bij een kritiekloos publiek.

* De verkiezingen zijn op 15 maart. Ik kan die datum niet loszien van een van de beroemdste gebeurtenissen uit de geschiedenis. Het is dan, op de Idus van maart, op de kop af 2061 jaar geleden dat Julius Caesar werd vermoord in de Romeinse senaat. Hij viel ten prooi aan een omvangrijke samenzwering. Wie er bij deze verkiezingen wordt geofferd, valt nog te bezien. Wie weet heeft een van de partijen nog een venuftig plan om Geert de pas af te snijden. Anders is het tijdperk-Rutte ten einde, en het principaat aanstaande. Ik kan deze datum kortom niet vergeten, voor iedereen die mogelijk wel vergeet te stemmen zijn er Facebookevents zoals dit.

* Bonustrack.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds drie jaar blogt hij voor tirade.nu.

Reageer >
 

Groenland door de ogen en de lens van Niko Tinbergen

23 februari 2017 (14:03) | Menno Hartman | Geen reacties

Eskimoland_588a21e868d99

Van Oorschots uitgave van Eskimoland

Het was een wat groezelig boek dat uit 1934 stamt en dus  83 jaar geleden van de drukker kwam. Je leert door de verschijningsvorm heen te kijken. Tijs Goldschmidt had stukken uit Eskimoland van Niko Tinbergen gelezen zoals ze geciteerd werden in vakliteratuur. Ik las het op zijn aanraden en was gemakkelijk verkocht, het is een geweldige combinatie van een aantal fraaie tekstsoorten: het is reisliteratuur. Niko en Lies Tinbergen verblijven in het Internationaal Pooljaar 1932-1933 aan de oostkust van Groenland. Men reist per slede, met huskeys, per kajak en per vouwboot.

Het is een antropologisch boek, want Niko vertelt wat er bijzonder is aan de Groenlanders waaronder zij verblijven. Wat ze maken van ivoor, van narwaltand, wat ze maken van spoelhout – op Groenland groeien geen bomen, (‘IJsland is Groen, Groenland is ijs’) alles van hout komt via de Barentsszee uit Siberië aangedreven. Hoe ze koken, jagen, kajakduikelen en vissen, feestvieren en voor elkaar zorgen,of niet. Tinbergen vertelt een verhaal over een vader en moeder met drie kinderen die naar een andere plek moeten en de kinderen achterlaten bij familie, met voedsel voor drie dagen. Als de ouders door omstandigheden dagen later thuiskomen, zijn de kinderen half verhongerd omdat de gastouders blijkbaar besloten dat nadat het meegegeven voedsel op was, er geen goede reden was de kinderen te laten delen in het eigen voedsel. Een fascinerend andere manier van denken.

Ook is het natuurlijk een boek over dieren en de overweldigende Groenlandse natuur. Niko en Lies doen waarnemingen aan sneeuw- en ijsgorzen, franjepoten, maar ook de huskeypopulatie, die uit een gelijksoortig pragmatisme tijdens de zomermaanden volstrekt op zichzelf aangewezen is, ‘s winters eten ze mee, zomers zoeken ze het zelf maar uit, waardoor je bij late lente te maken hebt met hordes uitgehongerde huskeys.

t_eskimoland

Eskimoland uit 1934

Ten slotte is het een bijna romantisch boek – tussen de regels door – van een verblijf in de wilde natuur waarin heel kies gemeld wordt dat er overdag in de tent even een slaapje gedaan wordt. Tinbergen schrijft niet alleen goed, maar fotografeert ook heel goed. In de uitgave die Van Oorschot over een paar weken doet verschijnen zijn de foto’s fraai afgedrukt, recht doend aan het ontwikkeld fotografisch oog van Tinbergen.

Dit boek, dat om zoveel redenen aantrekkelijk is, zal hopelijk de bekendheid van Nobelprijswinnaar Tinbergen – die in de tweede helft van zijn leven een haast Brits wetenschapper werd – ook in Nederland in ieder geval ook als schrijver doen groeien.

Hier meer over Eskimoland.

———————————–

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Hier schreef hij al eerder iets over Tinbergen.

 

 

 

Reageer >
 

Engelen en paarden

19 februari 2017 (0:01) | Irwan Droog | Geen reacties

Foto bij blogje 3Den Haag, vrijdag 8 juni 2012. Josh Ritter betreedt onder warm applaus het podium van de kleine zaal in het Theater aan het Spui. ‘Huiskamer van Den Haag’, staat op mijn entreekaartje onder het logo van het theater, en zo voelt het ook. Wim Brands introduceert en interviewt de Amerikaanse folk singer and writer. Writer, want Ritter (Idaho, 1976) is net gedebuteerd met zijn roman Bright’s Passage (2011, vertaald als De wonderjaren van Henry Bright, 2012).

Vorige week schreef ik hier over Steve Earle en zijn mentor Townes van Zandt. Afgelopen woensdag zag ik Josh Ritter opnieuw, nu in het Amsterdam-Noordse Zonnehuis, en kwam zomaar deze songtekst voorbij:

Sitting on the porch, singing Townes van Zandt

Play guitar to burn off the hours

Till we climb the fences at the edge of town

And paint our names on the water towers.

(uit ‘Me & Jiggs’)

Een maand na het interview in Den Haag zag ik Ritter nog een keer optreden, toen in Paradiso, en het scheelde niet veel of ik was afgelopen donderdag gewoon nóg een keer naar hem gaan luisteren in Rotterdam; er is iets verslavends aan die man op een podium, stralend en charismatisch, altijd met de hint van een sympathieke, oprechte lach op zijn gezicht. Natuurlijk ben ik niet de eerste die dat vind. ‘I have nothing bad to say about that boy,’ liet Joan Baez (zie opnieuw vorige week) zich ontvallen. Zij noemt ‘some of his songs just superb’, maar zegt ook: ‘What I’m most impressed by is watching him perform. He’s very charismatic.’

Iets van die charme kreeg ik van dichtbij mee toen ik – weer even terug naar 2012 – netjes in de rij stond te wachten tot Ritter mijn boek zou signeren. De rij was niet lang maar bewoog amper, en ik zag al snel waarom: bij de boekentafel nam de onlangs gedebuteerde, wereldberoemde pop-folk-rock-ster uitgebreid de tijd om iedereen te omhelzen. Hier stond een auteur zó te stralen van geluk, zó blij dat mensen voor hém waren gekomen, dat hij ons allemaal wilde bedanken en woorden niet toereikend waren. Gewoon: Ja, het leven is mooi, laten we dat vieren – kom in m’n armen, vreemdeling! Precies diezelfde gelukzaligheid straalt hij uit op het podium.

Los van dat alles heeft hij ook gewoon heel goede muziek gemaakt, en dat doet overigens nog steeds. Luister The Animal Years, luister The Golden Age of Radio, en je komt genoeg moois tegen. Live at the Iveagh Gardens mag niet in dat rijtje ontbreken – ook daar spat het plezier vanaf. (Sla dan vooral niet ‘Harrisburg’ over, met in het midden een mooi intermezzo van de rasverteller die Ritter is.)

Wat me afgelopen woensdag opviel, en niet voor het eerst: Ritter heeft een voorliefde voor het herhalen van bepaalde beelden in zijn teksten. Heaven, hell, fire, horses, maar vooral: angels. Dat komt allemaal terug in zijn roman, zie ik bij herlezing van Bright’s Passage. In het kort draait het boek om de twintigjarige Henry Bright, een Amerikaan die in 1918 terugkeert van de Eerste Wereldoorlog. Aan het front in Frankrijk, in de verwoestende loopgravenstrijd, ontsnapte hij verschillende keren aan de dood. Gedachtespinsel of niet, in de roman wordt als realiteit aangedragen dat er een engel tot hem spreekt: een stem vanuit de schaduw, die hem influistert stil te zijn als de vijand in de buurt is, of die hem waarschuwt niet van vergiftigd water te drinken. Eenmaal terug in Amerika begint de engel opnieuw tegen Bright te praten, en wel via de mond van een paard. De engel heeft besloten dat de huidige God het heeft verprutst, met die hele oorlog, en dat er een Future King of Heaven nodig is. En Henry Bright moet die verwekken, bij zijn buurmeisje Rachel.

Zodoende schaakt Bright de vrouw die (toevalligerwijs?) toch al zijn grote liefde was en bevalt Rachel van een zoon, maar ze komt daarbij zelf te overlijden. Een wraakzuchtige schoonvader is onderweg om zijn kleinzoon op te eisen, dus Bright – paard aan de hand, baby in een draagdoek op zijn borst – zet zijn kleine huisje in brand en vlucht, voor zowel de schoonvader als de bosbrand die hij heeft veroorzaakt.

Een roman navertellen alleen aan de hand van de plot – verschrikkelijk, nooit doen. Het boek, licht en humoristisch van toon en voortrazend als Bright op de vlucht voor de wildfire, gaat over geloof en vertrouwen, liefde en afgunst, lotsbestemming en vrije keus, en over de constante dreiging van de buitenwereld. Die engel is een fijne kunstgreep, met veelal komische situaties tot gevolg – een pratend paard! –, maar biedt tegelijkertijd ook ruimte voor interpretatie, en voor interessante vragen. Uiteindelijk is het nooit de engel die handelt, maar is het altijd Bright zelf: maakt het iets uit of dat komt door een hogere macht die hem iets influistert, of door een stem in zijn hoofd die daar terecht is gekomen tijdens zijn traumatische ervaringen in de oorlog? Oftewel: als de uitkomst in beide gevallen hetzelfde is, maakt het dan enig verschil waar je de verantwoordelijkheid voor die uitkomst legt – bij jezelf of bij een hogere macht?

(Dat brengt me zijdelings bij de serie The OA, waarvan ik de laatste aflevering (van het eerste seizoen) zag voordat ik naar het concert van Ritter ging. Zonder weg te geven waar de afkorting ‘OA’ voor staat – daar kom je pas halverwege het seizoen achter –, kan ik wel spoilervrij stellen dat deze serie ook deels om die vraag draait: als het resultaat wenselijk is, doen je beweegredenen er dan nog toe? Veel meer parallellen met het verhaal hierboven verklappen zou de serie wel redelijk verpesten, voor wie die nog niet zag.)

Met Bright’s Passage weer fris in het geheugen, wordt luisteren naar Josh Ritter een feest der herkenning. Zo staat zijn meest recente album Sermon on the Rocks (2015) opnieuw vol met engelen en paarden; never change a winning team.

Irwan Droog © Floor SchrijversIrwan Droog (Den Haag, 1984) studeerde Nederlandse letterkunde en literatuurwetenschap aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij zat in de redactie van Recensieweb en Tijdschrift Ei. Voor Tirade schreef hij eerder een artikel over het werk van John Steinbeck. Van 2012 tot 2017 was hij redacteur bij Uitgeverij Cossee. Hij is medeoprichter van de J.M.A. Biesheuvelprijs, de eerste literaire prijs voor korteverhalenbundels. Sinds begin 2017 werkt hij als zelfstandig redacteur en vormgever. © foto Floor Schrijvers

 

Reageer >
 

Kijkoperatie

18 februari 2017 (7:45) | Arjen van Lith | Geen reacties

supermannetje

‘En hier,’ wijst de oma als lijn 3 het Oosterpark opdraait, ‘hier heeft oma toen die kijkoperatie gehad.’ Tegenover haar vliegt de kleinzoon zwijgend met zijn speelgoedsupermannetje over de druppels op het tramraam, maar dan aan de binnenkant, onkwetsbaar voor de regen.

‘Aan me knie!’

Bij ‘knie’ stokt het Supermannetje even in zijn vlucht, maar de kleinzoon herstelt vlot en geeft hem nu zelfs wat extra vaart mee; van een dromerige slow-motion, bijna zoals de Sentinels op stand-by in The Matrix Revolutions, schakelt het Supermannetje over naar normale supersnelheid. Hij is ontwaakt uit een repetitief patroon van liggende achtjes* en beweegt nu grilliger over het glas, alsof hij actief op specifieke druppels jaagt.

Bij de halte, als de tram stilstaat, brengt de oma haar gezicht wat dichter naar het raam en stelt scherp op de ingang van het OLVG. Steeds als ze uitademt, laat ze een langer spoor condens op het raam achter. ‘Ja nee kijkoperatie, zo begon het… Ze hebben oma hier heel veel pijn gedaan, Lionel. Heel erg veel pijn.’

‘Ik denk ze gaan alleen kijken maar ze moesten metéén ingrijpen. Ik had dus totale collapsie. Totále collapsie had ik.’ De oma laat haar handen in haar schoot vallen. ‘Toen zijn ze oma dus met hamers en beitels te lijf gegaan nee met zágen. Overal bloed natuurlijk ja nee ik sliep gelukkig ik had een spuitje.’ Zodra de tram weer in beweging komt, draait ze haar blik naar de kleinzoon en zet een onderkin op. Met haar hoofd maakt ze nijdige Marijke Helwegen-achtige beweginkjes totdat de tram hard linksaf slaat en haar uit balans brengt.

Het Supermannetje hangt stil tegen het raam – horizontaal in de nieuwe rijrichting, vuistje vooruit – maar optisch lijkt hij tóch te bewegen: door de veranderde hoek blaast de wind de regendruppels op de ruit nu pal tegen hem in, alsof hij dwars door een orkaan heen vliegt. Als zijn cape niet van plastic was geweest, zou hij hebben gewapperd.**

‘Dan snijen ze dus eerst je hele knie open en schrapen ze dus met een schrapertje over de binnenkant van je botten ik dacht dat ik dood ging. Oma dacht dat ze dood ging Lionel jij had toen nog zo’n mooie tekening gemaakt weet je dat nog toen oma met haar knie zat en jij zo’n mooie tekening had gemaakt?’

De kleinzoon bolt zijn wangen en maakt een aanzwellend stormgeluid. Het Supermannetje heeft het zwaar. Uit alle macht probeert hij vooruit te komen. Om koers te houden en zijn evenwicht te bewaren, zet hij een tweede vuistje bij. De meeste druppels die op hem af razen, kan hij nog wegslaan, maar af en toe wordt hij ook geraakt, waardoor hij kostbare snelheid verliest.

Kijkoperatie… Oma heeft helemaal opnieuw moeten leren lópen.’ Om haar woorden kracht bij te zetten, schuift ze naar voren in haar stoel, precies op het moment dat het Supermannetje het niet meer houdt en door de orkaan wordt meegesleurd. Met een doffe dreun stort hij neer, bovenop de knie van de oma. Voor het eerst kijkt de kleinzoon haar direct aan.

De oma is even stil, maar doet wel weer diezelfde hoofdbeweginkjes, ditmaal met haar ogen gesloten. Pas als de omroep voor de Dapperstraat klinkt, gaan ze weer open. De oma drukt op het stopknopje, pakt haar tas en fluistert voordat ze moeiteloos opstaat: ‘Andere kant schat.’

____________________

*

** Dit is een denkfout. Het supermannetje bevindt zich – ook met een cape van textiel – nog altijd in de bus, niet erbuiten.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016
 
Nr.462 Nr.463 Nr.464 Nr.465
 
bestel
 
 
voorpagina