Klein landschap (2)

29 juni 2018 (9:23) | Wilbert Cornelissen | Geen reacties

foto: thijs wolzak

We proberen een keer per jaar in onze achtertuin bij elkaar te komen. Ik ben een van de acht bewoners van een voormalig kraakpand aan de Johannes Vermeerstraat. Een herenhuis uit 1912, gekraakt in 1979 en verbouwd in 1984. Elke bewoner heeft zo’n dertig vierkante meter. We delen een badkamer en elke verdieping heeft een keuken. Ik wil maar zeggen, we leven hier op de vierkante meter. Door mijn ziekte ben ik meer aangewezen op deze beperkte ruimte. Ik zit veel binnen. Af en toe hang ik uit het raam, een soort van uitje. Ik kijk dan uit op het balkon, een etage lager. De onderbuurvrouw heeft er direct toegang toe. Ik bekijk het vanuit vogelperspectief. Ze is gespecialiseerd in kasten, het liefst in dubbele rijen. Ze staan vol met bloempotten. Voor haarzelf laat ze loopruimte over. Zij beleeft lege ruimte als een uitnodiging om er iets neer te zetten.

Tijdens het gesprek in de achtertuin gaat het over het creëren van ruimte, hoe doe je dat? Ik zeg dat ik de hoeken van een vertrek vrij probeer te houden. Het effect daarvan is dat je de ‘ribben’ van de ruimte krijgt te zien. Als die zichtbaar zijn, dan heb je de lijnen om de ruimte te tekenen. Blijkbaar doe ik dat onwillekeurig als ik hier ben. Het vergroot mijn ruimtegevoel. Bijkomend voordeel is dat je daardoor ook binnenskamers de horizon kunt ervaren. Door de zwartwit geblokte vloer wordt mij die ook nog eens voorgezegd. Beter is de perspectivische vertekening niet af te lezen. Kijken is doorkijken.

Het helpt ook mee dat ik op de grond zit. Ik bezocht ooit het Benaki Museum in Athene en zag daar een achttiende-eeuws Ottomaans interieur. Ik heb daar een tijd gefascineerd naar gekeken. Ik was gefrappeerd door de sfeer. Wat me vooral trof was de eenvoud. Toen ik de zaal verliet, merkte ik dat ik de sfeer had meegenomen, opgeslagen, verinnerlijkt. Het Ottomaanse interieur is van de tent afgeleid. De Turken waren oorspronkelijk nomaden, een paardenvolk. Nu woon ik zelf onder een puntdak, waardoor de tentvorm al een gegeven is. Ruimte komt van boven naar beneden ‘vallen’. Onder mijn dak zie ik dat gebeuren. De Catalaanse architect Gaudí heeft dat laten zien in de bouwmodellen die hij maakte voordat hij in steen begon. Hij verbond touwtjes die hij onderaan verzwaarde met zandzakjes. De zwaartekracht bepaalde op deze wijze de vorm. Zo ontwikkelde hij ook zijn stengelvormige pilaren. Hij ging dus omgekeerd te werk. Het eindresultaat van touw draaide hij om. In feite is de tentvorm het eenvoudigste model: één touwtje en één zakje.

Komt de ruimte van boven, de meubels komen uit het grondvlak opzetten. Zitkussens zijn daar de eerste fase van. Waar zijn pootjes voor nodig? Bij thuiskomst veranderde ik het interieur. Stoelen en bank eruit. Ik heb meerdere kelims aangeschaft. Ik daalde nog verder af. De ruimte komt nu tot de vloer.

Mijn vriendin schreef mij in voor een reeks in de NRC, Binnenkijken geheten, die bestond uit foto’s van interieurs. Thijs Wolzak kwam ook bij mij langs. Hij zette zijn camera op de vloer in de uiterste hoek. Ik sta er ook op in mijn dansschoentjes.

Ik loop even naar buiten, toch altijd weer een verademing. Het regent daar ruimte. Een straat komt van boven, het wegdek van beneden.

 

Reageer >
 

Twee keer verliefd

28 juni 2018 (8:57) | Menno Hartman | Geen reacties

8d559030-647e-4024-9bbd-3a0f4b7a6405In De uitreis* van Virginia Woolf is Hewett verliefd op Rachel, ik zeg het maar zo onomwonden omdat de uitgever en de vertaler er zelfs geen been in zagen om in het voorwoord te vermelden dat – spoiler – Rachel sterft! Daar heb ik me echt even een poosje over zitten opwinden: de eerste keer sinds jaren dat ik halverwege het boek en niet pas achteraf toch besluit het voorwoord te lezen,– de vorm van informatie die ik verfoei omdat  iemand zich tussen de lezer en de schrijver plaatst (voorwoord (znw) -en; een dom geplaatst nawoord) – zetten ze er ook nog een BOOM van een spoiler in, zonder te waarschuwen. Wat is dat eigenlijk voor een vreemd besluit? Is een boek als dit zo nadrukkelijk van elke verhaallijn gespeend dat het niet meer geeft dat je de toekomst van de hoofdpersoon weggeeft? Natuurlijk niet, ik vind het een hele domme fout. Ook Woolf lees je onder meer omdat je wilt weten waar het heen gaat. Om nog een boel meer hoor. Onder meer om deze mooie langzame verliefdheid. ”’Voor de duivel!” riep hij uit. ”Ben ik dan verliefd op haar?” Daarop kon hij zichzelf maar een antwoord geven. Hij was echt verliefd op haar, als hij al wist wat liefde betekende.’

Een kuil om snikkend in te vallen is om verschillende redenen een van de mooiste boeken die ik heb. Het is het boek met een van de fraaiste titels (een regel van Lucebert) Het is van Rudy Kousbroek, heeft een hard omslag, het komt uit 1971, het heeft schutbladen waarbij over de kleur is nagedacht, er staan plaatjes is, het is uitgegeven door Thomas Rap, het heeft een afwijkend, kleiner formaat. De inhoud van de zestien essays in het boek combineert alles waar Kousbroek zo befaamd om geworden is, eloquent en belezen spreekt Kousbroek zijn verbazing uit over zaken van technische, historische aard, zijn verleden, boeken en poëzie en de rode draad is het wonder van het geheugen. Rudy werd verliefd op kostschool. ‘Zelfs onder de beschreven omstandigheden was het zonderling dat Willemijn en ik wat op dat veld heen en weer konden lopen en praten zonder dat er werd ingegrepen. Aan dat half uur verslapt toezicht dank ik mijn eerste verliefdheid.’ Ze vindt hem zo lief schrijft ze later ‘ik zou je wel een zoen willen geven, en als niemand het ziet dan doe ik het ook nog.’

Morgen gaat de auteursbond me uitleggen hoe (scenario) schrijvers de slag om Netflix kunnen winnen. Het schijnt iets met de ‘midsequentie’ te maken te hebben. Het helpt bijvoorbeeld denk ik ook om nu niet te verklappen of het Willemijn lukt of niet… En of Rachel gezond oud wordt blijft ook vast tot de 12e aflevering in het ongewisse.

——-
 IMG_6285
Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, droomt altijd over reizen.

* vertaling Barbara de Lange

 

Reageer >
 

Dankwoord

26 juni 2018 (22:47) | Gilles van der Loo | Geen reacties

CC066CB7-D19C-41BA-9560-C084F0D22730Mijn eerste blog schreef ik in de zomer van 2012. De uitgeverij had me gevraagd of ik een maand lang stukjes wilde maken voor Tirade’s online-kant.

Ik schreef over een wandeling die ik met B maakte door de heuvels van Le Marche, over vuurvliegjes langs het pad, oplichtend als kerstmis; vertelde dat we daar met Otis de Hond ons rondje liepen, wetend dat in het huis ergens beneden Nadim, toen nog geen twaalf maanden oud, met rode wangen sliep.

Wekelijks stukjes schrijven dwingt je om te denken aan wat je overkomen is, de dagen vertraagd voorbij te laten komen en te zeggen: hier. En hier. Stop. 

Beelden en ideeën voeg je samen, je zet aan en geeft zo vaste vorm aan iets wat je anders zou ontglippen.

Na verloop van tijd, heb ik gemerkt, wordt die uitvergrote versie van de werkelijkheid sterker dan wat er echt gebeurd is en zo pleeg je op heel kleine schaal geschiedsvervalsing.

Als ik de fictie niet had. Ik ben zo dankbaar voor dit leven dat ik vrij ben naar eigen inzicht te vertalen.

Wanneer het allemaal ooit stopt zullen in mijn laatste tel niet mijn echte dagen bij me terugkomen, maar deze stukjes. Met een glimlach zal ik loslaten, oplossen, wetend dat er iets heel goed is gegaan.

In 2013 schreef ik een boek over mijn verdronken vriend en las het met angst en beven terug. Ik had me voor niets zorgen gemaakt: wie hij voor me geweest is stond foutloos op papier.

“No one you love is ever truly lost,” schreef Hemingway.

Op de afterparty van het Boekenbal zei Gustaaf Peek tegen me dat hij angst in deze stukjes las; dat ik daar iets mee moest doen.

Spot on. Hoe kan liefde bestaan zonder de angst om het allemaal kwijt te raken?

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Ada Lovelace en de ‘Difference Engine’

26 juni 2018 (13:50) | Machiel Jansen | Geen reacties

1024px-Babbage_Difference_EngineAfgelopen mei liepen Jacq en ik een deel van het South West Coast Path in Engeland. Een etappe ging van Porlock naar Lynmouth, over de beboste kliffen van Exmoor. Al snel kwamen we in het bos een paar tunnels tegen. Het waren de overblijfselen van de tuin van Ashley Comb, in de 19e eeuw het zomerverblijf van Ada Lovelace en haar man. De tuin had bestaan uit een groot aantal terrassen die met elkaar verbonden waren door spiraalvormige trappen. Voor Ada was ooit nog een badhuis in de rotsen uitgehakt, zodat ze ongestoord een bad kon nemen met uitzicht op zee.

Ada was de dochter van Lord Byron en Isabelle Milbanke. Kort na de geboorte van Ada in 1815 maakte Isabelle een eind aan haar huwelijk. Byron was een affaire begonnen met zijn halfzus en leidde een leven vol seks, drugs en poëzie. In 1816 vertrok hij voorgoed naar Europa. Isabelle wilde haar dochter ver houden van wat ze Byrons’  ‘misguided genius’ noemde en voedde Ada op met wiskunde – bijna als een soort tegengif voor poëzie. Maar Ada, die een enorm talent voor exact denken bleek te hebben, wist later beide in zich te verenigen.

Het pad met de tunnels waarvan wij een deel liepen, stond bij de Lovelaces bekend als ‘The philosophers walk.’ Ada liep hier ooit samen met Charles Babbage om te praten over de werking van zijn ‘Difference Engine.’

Babbage staat in de geschiedenis van de informatica bekend als de eerste die een mechanische rekenmachine bedacht. Met weinig meer dan assen en tandwielen wist hij hoe hij een machine moest bouwen die berekeningen kon uitvoeren. Helaas kwam hij niet verder dan een werkend prototype. Ada zag het in werking in 1833: ‘We both went to see the thinking machine (for so it seems).

Maar Babbage maakte zijn machine niet af, door geldgebrek en omdat hij alweer grootsere plannen had met een nog complexere machine. Het bleef allemaal bij ideeën op papier.

Ada was een van de weinigen die begreep waar Babbage machine toe in staat was. Ze beschreef in detail hoe een wiskundig probleem door ‘The Difference engine’ kon worden opgelost, waardoor ze door sommigen gezien wordt als de allereerste programmeur. Maar ze begreep ook dat een dergelijke machine meer zou kunnen dan alleen getallen uitrekenen. Als een van de eersten besefte ze de mogelijkheden van door machines uitgevoerde algoritmen.

Je kunt je afvragen of Ada ooit heeft nagedacht over de mogelijke impact van algoritmes. Heeft ze ooit bedacht dat we het algoritme weleens als een monster van Frankenstein zouden kunnen opvatten? In de krant lees je steeds vaker over machines die onze maatschappij straks overnemen, over algoritmes die ons beter kennen dan wijzelf, over technologie die zich tegen ons keert…

Of Ada daarover nagedacht heeft weet ik niet maar het moet haast wel dat ze Frankenstein gelezen heeft. De roman was in 1818 verschenen en was meteen een enorm succes. Bovendien had Ada naast de wiskunde een grote interesse in literatuur en – niet onbelangrijk – haar vader had een klein aandeel gehad bij het ontstaan van de roman.

We liepen die dag naar Lynmouth. Een kleine plaats met een strand tussen de kliffen, een fraaie rivier en een treintje uit 1890 dat bijna loodrecht om hoog gaat. Het toeristenseizoen was nog niet begonnen maar je kon je voorstellen dat het hier in de zomer druk zou worden. In 1813 woonde de dichter Percy Bysshe Shelley hier kort, met o.a. vrouw, kind en schoonzus. Het huis dat ze bewoonde maakt nu deel uit van een hotel. Lang heeft hij er niet gewoond. Een jaar later verliet hij vrouw en kind voor de 16-jarige Mary Godwin. Ze trouwden en Mary schreef later, als Mary Shelly, de roman Frankenstein. Het idee voor de roman ontstond aan het meer van Geneve, op een avondje griezelverhalen vertellen met Shelley en … Lord Byron.

Ik wandelde op dit pad om nu eens een paar weken niet achter een computer te hoeven zitten. De zee, de bomen, de kliffen en de dalen waren een verademing. Niet stilzitten maar bewegen. Van Porlock naar Lynmouth ging het door bos, over kliffen vol rododendrons en door dalen geel van brem. Maar ik liep die dag ook een innerlijke wandeling, van Ada en Charles met hun Difference Engine, naar Percy en Mary, met in de verte Frankenstein.

Als ik nu in de krant lees over gevaren van algoritmes, zie ik een heel mooi kustpad voor me.

Machiel_Jansen Machiel Jansen blogt voor Tirade incidenteel over zaken die ‘Big Data’ raken. Hij leidt het Scalable Data Analytics-team bij SURFsara Amsterdam. Machiel is gepromoveerd op Knowledge Engineering en heeft in 2007 bij verschillende bedrijven en universiteiten aan SURFsara gewerkt.

Reageer >
 

Leven op de kaart

25 juni 2018 (8:00) | Milo van Bokkum | Geen reacties

Voor mijn werk reis ik ongeveer één keer per week in de trein van Amsterdam-Zuid naar Groningen. Ik ben zo gewend aan de rit dat ik ouderlijk glimlach als ik medepassagiers bij de Oostvaardersplassen verbaasd uit het raam zie kijken naar de Flevolandse woestenij. Als ik op mijn laptop aan het werk ben kan ik aan de het gevoel van bochten en de wissels bepalen of we door Meppel of Hoogeveen schieten.

Er is maar één punt waar ik altijd blijf opkijken. Als je Zwolle indraait en de IJsselbrug vlak voor de Hanzestad oprijdt, kan je rechts een grote groene berg zien. Het is het noordelijkste puntje van de Veluwe, een scherp baken dat je met iets van overdrijving een IJsselklif zou kunnen noemen. Het grote, centraal-Nederlandse natuurgebied begint (of eindigt) hier zo abrupt, net zoals je op weg naar de Alpen vlak voor München plots een muur van toppen ziet opdoemen.

Ik houd op een bijna schaamteloos patriottische wijze van Nederland, maar dat is vooral om geografische redenen. Het leuke is, vind ik, dat je met wat topografische kennis vanuit de trein of de auto de overgangen tussen landschappen en gebieden zelf kan waarnemen. Er gebeurt niks dat geleidelijk gebeurt. Nederland is een puzzel van kleine, goed herkenbare streken, zoals de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed in een recent project probeert duidelijk te maken.

Na Bergen op Zoom stort de trein zich van de Brabantse katholieke zandgronden in een paar kilometer omlaag naar de Zeeuwse, protestantse klei – je zíet het einde van een cultuurgebied. De kathedraaltoren van Antwerpen kan je bij helder weer in de verte onderscheiden. Tussen Utrecht en Arnhem beklimt de intercity de Utrechtse heuvelrug, daalt af in de Gelderse Vallei, beklimt de Veluwe en daalt weer af naar de Nederrijn – met stops, in een halfuurtje. In Groningen en Friesland zijn de torens van de hoofdsteden tot in verre hoeken van de provincies te zien. Op de Hollandse Brug, tussen Flevoland en Noord-Holland, zie je alles tussen Amsterdam-West en Amersfoort.

In bus 74 van Emmen naar Stadskanaal rijd je een aantal kilometer precies op de grens tussen de welvarende Drentse zandgronden links en de armere voormalige veenkoloniën rechts. Aan je linkerhand bolt het landschap op, rechts zie je alleen maar lijnen. In de Intercity Direct tussen Schiphol en Rotterdam heb je een fantastisch uitzicht op de skyline van Den Haag, waarmee je gelijk praktisch de halve Randstad in één oogopslag kan zien – terwijl de trein op kilometers van de Hofstad passeert, juist omdat dat een omweg(!) zou zijn.

Zo kan je nog eindeloos doorgaan. Het mooie, vind ik, is dat het allemaal zo’n intense, overzichtelijke kénbaarheid uitstraalt. Door het land reizen is hier als op de kaart kijken; is op de kaart léven. In Nederland verhoud je je bijna altijd tot een andere plek, zie je de grenzen van gebieden en streken, verandert het landschap (en daarmee niet zelden het accent, de tradities, de religie, ga zo door) voor je ogen, soms in niet meer dan een paar minuten. Het voelt voor mij vaak alsof je een beetje boven het terrein hangt, omdat je bij de geringste verhoging (een enkele keer is op je fiets zitten genoeg, vaker werken spoorbruggen het best) al halve landsdelen kan overzien.

Lange tijd wilde ik piloot worden, puur om het overzicht over de wereld te kunnen hebben. Die behoefte voel ik nog nauwelijks: het leuke van Nederland is juist dat je vaak op de grond al weet hoe de luchtfoto’s eruit zien.

DSCF1367Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.
Reageer >
 

Grenscontrole

22 juni 2018 (21:22) | Arjen van Lith | Geen reacties

Holland-Wien express

Sinds ik mijn M. ken reis ik de hele wereld over, maar ik ben dicht bij huis begonnen. Vroeger, toen mijn zus en ik nog jong waren, gingen we meestal op vakantie naar Bergen N-H, naar het huis van tante J. en oom C. met een vleugel in de woonkamer en een weefgetouw in de serre – het enige huis waar ik nooit in heb gewoond en waar alle piepjes en kraakjes, alle huisgeluiden toch vertrouwd klonken. Poes Jaap dronk z’n water uit een oude theepot op de vensterbank.

Op mooie dagen fietsten we langs de Eeuwige Laan naar het strand en aten we op de terugweg pannenkoeken bij Duinvermaak, waar altijd veel spelende honden en wespen waren. Als het regende waren er binnen meer boeken dan ik aankon – ook handzame grotejongensboeken die je makkelijk onder je pyjama mee naar boven kon smokkelen.

Toen we negen waren gingen we voor het eerst naar het buitenland, naar tante D. en oom G. in Beieren. Thuis hadden we alvast geoefend met tellen in het Duits, maar bij sechs hielden we het niet meer. Ook kon mijn moeder heel grappig het woord jawohl uitspreken.

Vanaf station Krommenie namen we de stoptrein naar Amsterdam Centraal. Daar stapten we over op de Holland-Wien Express, die was ingedeeld in coupés met een schuifdeurtje en twee keer drie brede stoelen die je plat tegen elkaar kon duwen als je wilde slapen. Aan de wand, direct boven onze verstelbare hoofdsteunen, stonden onze ticketnummers en eindbestemming vermeld op smalle strookjes papier in plastic inschuifhoesjes. ‘Typisch Duits’, zei m’n moeder.

We hadden een hele coupé voor ons alleen, al was er in het begin wel een meneer die mijn moeder hielp de koffers in het bagagerek te tillen. ‘Ook typisch Duits’ vond ze dat. Ik kreeg er steeds meer zin in. Nu gingen we écht op reis. Op de gelamineerde routekaart telde ik de haltes tot Neurenberg, waar oom G. ons in zijn kotsgroene Mercedes Benz zou komen afhalen. Alleen al aan de plaatsnamen kon je zien dat Duitsland veel groter en machtiger was dan Nederland: Oberhausen klinkt toch een stuk imposanter dan Veenendaal-De Klomp.

Ergens tussen Arnhem en Emmerich staken we de grens over, maar dat kon je aan het landschap niet zien, dat gleed gewoon door. Er was geen muur of poort waar de trein eerst moest stoppen. We merkten het pas toen een afgeleefde vijftiger in een groen uniform het schuifdeurtje opentrok en om onze reisdocumenten vroeg. Mijn zus en ik mochten zelf onze eigen toeristenkaart geven.

In het begin merkte ik niet eens dat er iets mis was. Ik had me alweer half omgedraaid naar het raam toen de toon van mijn moeder plotseling omsloeg. Van haar uitgelaten jawohl-stemming was ineens niets meer over. Ze begon op steeds hogere toon steeds sneller te ratelen terwijl de grensagent wantrouwend van de identiteitsbewijzen opkeek naar onze gezichten en weer terug. Hij leek ons ook alle drie met elkaar te vergelijken.

Mijn moeder kon op twee manier rood aanlopen: als ze zich schaamde, kroop het bloed vanuit haar nek langzaam omhoog naar haar wangen, en als ze kwaad werd begon het in tegenovergestelde richting, vanaf haar voorhoofd langs de slapen naar haar jukbenen en oren. Nu was ze woedend. Ik had geen idee waar het over ging, maar stond versteld van haar flux de bouche, in het Duits nota bene! De Bundesgrenzschutz Polizist had ook niet meteen terug van zoveel verbaal geweld en gehoorzaamde gedwee toen mijn moeder hem met haar ogen vermoordde, haar hand uitstak en fluisterde: ‘Und jetzt meine Papiere zurück, godverdomme.’

Zodra de agent onze coupé had verlaten, smeet ze het schuifdeurtje dicht en sloot de gordijnen. Met trillende vingers inspecteerde ze haar mascara in een handspiegeltje. In het paspoort van mijn moeder, die na de scheiding haar meisjesnaam weer had aangenomen, stond een andere achternaam dan op onze toeristenkaarten. Even had de grensnazi haar verdacht van ontvoering of op z’n minst kindersmokkel.

De trein reed verder langs kastelen op eilandjes in de Rijn en een enorme kerk vlakbij een treinstation. Alles zag er zo groot uit. Ik vroeg me af of we het alleen zouden redden in Duitsland, mijn zus en ik, als mijn moeder niet zo fel van zich had afgebeten en de grensnazi haar zou hebben gearresteerd. En of we haar dan ooit nog terug hadden gezien. Volgens mijn zus had hij beter uit z’n doppen moet kijken, dan had ‘ie meteen gezien dat zij in ieder geval wél legaal meereisde, want zij leek het meest op mama. Onzin. Alleen de bovenste helft van haar gezicht, het deel dat bij mijn moeder rood aanliep als die zich opwond, heeft ze van haar. Ik heb haar schaamtedeel.

_________________________

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

 

Reageer >
 

Waarom schrijven?

22 juni 2018 (12:07) | Menno Hartman | Geen reacties

9200000085027538Was het vertaalster PK die mij wees op de nieuwe uitgave van Philip Roth’s non-fictie en speciaal daarin het interview met Primo Levi? Het boek heet Waarom schrijven? Verzamelde non-fictie 1960-2013 en verscheen recent bij de Bezige Bij.

Waarom uitgeven? Vraag ik me wel eens af. Met dit boek in handen is daar een prima antwoord op: het is een waardevolle bezigheid! Dank u Bezige Bij!

In de Linkedin rapportage staat altijd wie je profiel bekeken heeft en wat deze mensen doen. Al enige tijd wordt mijn profiel regelmatig bekeken door iemand die Vuilnisman is, ik zie er geen naam bij. Vermoedelijk vraagt deze persoon zich veel minder vaak af Waarom vuil ophalen? Waarom deze persoon zo in mij geïnteresseerd is laat ik even in het midden. Ook al omdat ik geen flauw benul heb. Heeft hij een boek in de pen?

In Waarom schrijven zit een afdeling ‘Over het vak’ dat ik met veel genoegen lees. Het is heel schitterend vertaald door Else Hoog. Het interview met Primo Levi is van een grote schoonheid en lijkt in zijn gecondenseerde vorm en met zijn werkelijk uitmuntende vragen en antwoorden in niets op veel schrijversinterviews, die in elk geval van de kant van de vrager vaker minder inhoudelijk zijn. Het gesprek dat Roth met Levi voerde kun je zes keer lezen, betekent steeds meer en is van grote schoonheid, door de toewijding van deze twee heren aan hun vak en vanwege Roth´s kennis van het werk van Levi. Daarbij is het zo´n tekst waaraan je zien kunt met hoeveel toewijding en liefde vertaalster Else Hoog haar werk deed.

Het gesprek in Turijn vindt plaats in Levi’s huis nabij zijn verffabriek. De verffabriek dan met name en zijn vak als chemicus speelt niet alleen in zijn werk een prominente rol (Het periodiek systeem) maar ook in het interview. ‘Mijn militanza op de fabriek – mijn verplichte en eervolle diensttijd daar – heeft ervoor gezorgd dat ik in contact bleef met de echte wereld’ sluit Levi het interview af.

Het stuk doet je haasten naar de boekwinkels voor Primo Levi titels, en leert dat het schrijversinterview toch een prachtige vorm kan zijn. David Remnick schreef een mooi ‘In Memoriam’  in The New Yorker na Roth’s overlijden en bewonderde onder meer Roth’s besluit op zeker moment niet meer te schrijven. Roth was klaar.

Waarom dan nog schrijven?

——-
 IMG_6285
Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, droomt altijd over reizen.

 

Reageer >
 

Klein landschap (1)

21 juni 2018 (21:34) | Wilbert Cornelissen | Geen reacties

Cornelissen Tirade-blog (1) foto

Mijn wereld wordt al kleiner. Dat heeft vooral met mijn ziekte te maken. Ik heb een ongeneeslijke vorm van longkanker onder de leden. Een paar weken geleden heb ik een periode van wat zwaardere chemo afgesloten, de klassieke waarbij je haren uitvallen. Het afbrokkelen van de nagels viel mee. Ik behield ook mijn eetlust. Er stierven wat zenuwuiteinden in de voetzolen af. Volgens de verpleegkundige-specialist ervaren patiënten dat vaak alsof ze op watten lopen. Wat ik voel is een soort van tinteling die zich tussen zool en vloeroppervlakte plaatst. Ik beweeg op deze laag.

Belangrijkste is, ik beweeg nog, en zoals het medisch heet: patiënt kan nog alles. Maar niet valt te ontkennen dat mijn wereld kleiner wordt. Nu heb ik altijd van klein landschap gehouden. Ik heb daar een lange geschiedenis mee. Als jongetje begon die al. Dus je zou bijna zeggen, dat komt dan goed uit. Iedereen kent wel die momenten dat je op je buik in het gras ligt en helemaal ongemerkt wordt mee gezogen in de wereld tussen de grasstengels. Bij mij kreeg dat een voortzetting. Ik ontwikkelde een voorkeur voor mossen, grassen, begroeide randjes. Maar het kleine landschap had vooral met proporties te maken. De horizon was daar binnen handbereik. En dat is meteen ook een goede beschrijving van mijn huidige wereldbeeld.

In het begin van de ziekte, na de diagnose, kreeg ik veel bloemen, snijbloemen. Dat ging een tijdje door. Ik raakte er zelfs aan gewend. Vond ik snijbloemen altijd wat sneu, een herfst in versnelde weergave, ik raakte met ze verzoend. Ik begon ze zelfs te missen als ze er niet waren. Mijn vriendin had voor haar eigen huis een abonnement op een bos bloemen genomen die per post werd bezorgd. Elke stengel van een eigen soort. Ze stuurde me minidocumentaires van dat vaaslandschap om me mee te laten genieten. Klein landschap. Ze hoefde me eigenlijk niet te overtuigen. Ik nam hetzelfde abonnement. Elke twee weken is het alsof er een nieuw kunstwerk wordt gebracht.

Op dezelfde manier kijk ik naar de populieren voor het raam. Ze staan er nu helemaal voor mij. Ze bakenen een horizon af. Daarachter heb je de wereld van de grote bewegers, de gezonde mastodonten. Ik kom daar ook wel maar sjok daar dan tussen. Ik ga van stoeptegel naar stoeptegel, over het straatgras heen stappend. Misschien geef ik nu een iets te dramatische indruk van mijn gemiddelde verplaatsing. Er zijn mensen die zeggen niets door te hebben en dat ik er goed uitzie. Er zijn ook wel andere kwaaltjes te beschrijven. Mijn lichaam heeft een eigen horizon inmiddels.

 

Wilbert Cornelissen is dichter, danser en denker. Zojuist verscheen Elke dag een/Proefsleuven, uitsneden uit tien jaar elke dag een gedicht schrijven. Hij organiseert elke maand Dance Where You Are, een straatdansfeestje op het Homomonument (eerste zondag van de maand om twee uur).

Reageer >
 

Renate

20 juni 2018 (5:28) | Gilles van der Loo | Geen reacties

Dorrestein Renate (c) Frank Ruiter RV 19.08.2013Ze was de stiefmoeder van mijn vriendin Noor, maar dat wist ik niet toen ik een paar jaar geleden op Noors verjaardag een biertje uit de koelkast trok.

Ik zocht een opener en zag haar in mijn ooghoek. De grote schrijfster rookte shag zittend in de vensterbank, de Amsterdamse nacht was achter haar.

Renate glimlachte, ik knikte. Noor stelde ons voor en ik raasde door mijn geheugen, zoekend naar een titel, een houvast, iets. Een haastig mens dat zijn sleutels zoekt kan er tien keer langslopen zonder ze te zien. Ik was bang ontmaskerd te worden als iemand die alleen maar wíst dat ze een grote was. Toch: twee minuten later zat ik naast haar.

Het begon met Rupert Thomson. Vrij onbekend en prachtig werk. Renate kénde hem niet alleen, ze was met hem bevriend geraakt op een boektour door Frankrijk. Meer namen volgden, we hielden van dezelfde schrijvers, bleken op dezelfde manier te werken. Geen plan, overgave, gaan. Vallen en hopen op armen.

Een maand later kreeg ik een mail van haar uitgever. Of ik ter ere van Renates 30-jarig jubileum door haar geïnterviewd wilde wordenHet regende als in een gothic novel op de dag van het gesprek. Renate had me goed gelezen en het voelde veilig bij haar op het podium, alsof we met zijn tweeën in een vensterbank zaten, de Amsterdamse nacht achter ons.

Toen ik worstelde met een boek over mijn overleden vriend belde ik haar en drie dagen later wachtte ze met haar auto op me bij station Aerdenhout. Het was als opgehaald worden door je lievelingstante na je eerste treinreis alleen. We reden over statige lanen en ik voelde me gered.

Bij haar thuis vertelde ik over mijn project, de angst mijn lieve Gijs geen recht te kunnen doen. Ze luisterde vooral en mijn vertrouwen groeide terwijl ik sprak.

‘Het wordt vast prachtig,’ zei ze toen ik klaar was. ‘Ik kan niet wachten om je boek te lezen.’

 

Beeld: Frank Ruiter

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

De machinist, de locomotief en hun stoker

18 juni 2018 (8:00) | Milo van Bokkum | Geen reacties

st lazareJe hóórt de treinen bijna van de pagina rijden in Zola’s Het Beest in de Mens. Als er één spoorwegroman is, dan toch deze, met een wat verouderde, ‘wetenschappelijke’ plot over criminaliteit, maar vol beschrijvingen van treinen in 1870 die stomen, sissen en denderen alsof je zelf in de sneeuw kolen staat te scheppen op de locomotief van Parijs naar Le Havre.

Ik kwam het boek een maand terug tegen omdat ik – banaal genoeg – op Google op zoek was naar romans over treinen en ik deze zag staan op een lijstje. Het was me als treinfanaat opgevallen hoe weinig de spoorwegen eigenlijk in de literatuur lijken voor te komen – althans, als méér dan een vervoermiddel. Ook de lijstjes leverden maar weinig inspiratie op. Behalve Zola dus, die gelijk maar besloot flink werk van het thema te maken en 300 pagina’s aan spoorwegnotities naliet.

Het is een feest om te lezen hoe de machinisten in de vroege pioniersjaren van de spoorwegen als helden weer en wind trotseren, en een ‘ménage-à-trois’ vormen met hun (vrouwelijke) locomotief en hun stoker. Tegen het einde van het boek volgt er zelfs een dramatische locomotief-sterfscène, die er bij de machinist (en de lezer) flink inhakt.

Ik probeerde in mijn geheugen nog eens te kijken hoe treinen in andere boeken voorkwamen. Dat bleek erg leuk, omdat je snel bepaalde overeenkomsten gaat zien. Tips zijn welkom (ik moet me nog wagen aan Dokter Zjivago), maar dit zijn mijn twee voorlopige conclusies van een totaal willekeurig onderzoek:

1.       De trein als aankomst in een verhaalNiets is fijner dan een boek of een hoofdstuk op een rustig tempo over het spoor binnenwiegen, soms wel vijftig pagina’s lang, zoals in Laszlo Krasnahorkai’s De Melancholie van het Verzet. Hetzelfde gebeurt bij Ismail Kadare (Twilight of the Eastern Gods) en Tom Hofland (Lyssa). Vasili Grossman opent Leven en Lot met een ijzingwekkende scène vanuit de cabine van een trein die een concentratiekamp binnenrijdt.

2.       Een niet te stoppen, beangstigende kracht

Vaak gaat het er minder rustig aan toe, vooral in de 19e eeuw. Hier wordt het interessanter. Tolstoj, Banffy, Belinski, Zola – allen gebruiken ze een voortsnellende trein als een bijna buitenwerelds, nieuw fenomeen dat de natuurlijke orde der dingen overhoop haalt en misschien wel meer stukmaakt dan je liefhebt. Bij Zola wordt er bovendien kritiek mee geleverd op de snelheid van technologische ontwikkelingen, wat het boek een soort permanente actualiteit meegeeft.

Het meest onverwacht vond ik hoe vaak men aan boord bijna stikt van claustrofobie en misselijkheid. Zowel bij Krasnahorkai als Zola willen personages op een zeker moment zo snel mogelijk uitstappen omdat ze dreigen door te draaien van het gehobbel. In De Pop van Bolesław Prus verlaat de actie 900 pagina’s lang Warschau nauwelijks, en wanneer dat wel gebeurt is het geen succes:

Hij was gedwongen toe te geven dat er iets ergers was dan verraad, desillusie en vernedering.

Maar – wat was dat? Ja, reizen per trein! Hoe de wagon schudde… Hoe die voortdenderde! Hij voelde het schudden in zijn benen, longen, hart, hersenen; alles in hem bewoog op en neer, elk bot, elke vezel van zijn zenuwen… […] Eindelijk klonk er een fluitje, toen nog een, en de trein stopte op een station. ‘Ik ben gered’, dacht Wokulski.

Geen bemoedigende beelden voor treinliefhebbers. Die kunnen zich wel troosten met het idee dat de trein vandaag de dag doorgaans in een veel beter aanzien staat. De moordende kracht van de spoorwegen lijkt juist eerder te worden onderschat, blijkens de constante campagnes van ProRail om vooral jongeren ervan te doordringen dat ze niet langs het spoor moeten lopen. Een paar pagina’s Zola zou genoeg moeten zijn om het af te leren.

DSCF1367Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.
Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
 
Nr.470
 
bestel
 
 
voorpagina