Oude angst II

16 januari 2019 (8:35) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_2278Ochtend. De man bracht zijn dochter naar de crèche en fietste in het donker naar het park. Hij was zijn spoken moe.

Terwijl hij de gracht volgde, afsloeg en het plein overstak: de kosten van de verbouwing, het bultje onder zijn schouderblad dat zeker kanker was, de hypotheekbetaling van volgende maand en waar die vandaan moest komen.

Het ritueel van zijn gedachten, het afvinken van alles wat fout kon gaan.

Ze zouden zijn boek niet kopen, niemand zou verschijnen op de voorleesavond. Zijn slechte ouderschap, zijn dreigende overgewicht. De sigaretten die hij na drie bier tóch had gerookt.

Vaak zei hij tegen zichzelf dat het tot dusver goed was gegaan; dat hij geen reden had de toekomst te wantrouwen.

Hij zag zich zichzelf als kind, de angst die er ook toen al was en de bezweringen: van 2 naar 4 naar 22 keer het hoofdeind van zijn bed aanraken. Bij fout of vergissing of onzekerheid opnieuw. Hoe moeier hij werd, hoe meer fouten, hoe vaker opnieuw.

Omdat hij vijfenveertig was, wist hij die weg afgesloten. Zoiets heette dwangneurose.

De man parkeerde zijn fiets bij de ingang van het park en begon te lopen. Hij was de angst moe. Hij zette aan, volgde rennend het hoge pad langs de spoorlijn, langs het bosje waar iemand zich een jaar geleden nog verhangen had.

Hij dacht aan het donker, het touw, een woede.

De haartjes op zijn armen kwamen overeind. Een stenen kou beklom zijn rug. Hij versnelde, passeerde het bosje en volgde het pad langs de volkstuinen met daarachter het oude dorp van Sloterdijk. Zijn lijf bestond uit losse delen, klagend onder zijn wil, maar stoppen zou hij niet.

Hij rondde de begraafplaats toen de zon opkwam en de wolken boven het park geel verlichtte. Zijn hart sloeg regelmatig nu, zijn ademhaling vertraagde en zijn bril besloeg.

De angst leek opgelost, verdund in groter water; niet meer dan een droom geweest.

___________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Haunted house

12 januari 2019 (9:39) | Arjen van Lith | Geen reacties

ontluchtingssleuteltje2

Ik heb op genoeg verschillende plekken gewoond om te weten dat ieder huis zijn eigen unieke geluiden heeft, maar waarom moet uitgerekend onze etage aan het plantsoen klinken als de finale doodsreutel van een darmpatiënt die alles laat lopen? In het holst van de nacht, als M. slaapt, stel ik deze en andere vragen aan god, maar kennelijk is die te druk met verre vluchtelingenstromen om zich bezig te houden met het onrecht dat mij wordt aangedaan.

Please, Lord’, prevel ik in het donker richting het plafond. ‘Make it stop.’ Uit voorzorg spreek ik altijd Engels tegen god, want je kunt er nooit voetstoots vanuit gaan dat iedereen zich altijd maar aan jou aanpast.

Volgens M., die zowel christelijk opgevoed als ingenieur is, hebben onze huisgeluiden een verklaarbare, aardse oorsprong, maar ik bekijk de zaak gotischer: als literatuur een weerslag is van de werkelijkheid onder de werkelijkheid – en dat geloof ik – krijgt ieder piepje, ieder kraakje ineens betekenis. Een ‘haunted house’ kan vele vormen aannemen, van een behekst kasteel* tot een afbladderende nieuwbouwvilla in de suburbs** tot een vroeg-twintigste-eeuws doorzonappartement in de Staatsliedenbuurt. Beetje makkelijk om dan te zeggen dat de verwarming bijgevuld moet worden.

In het begin borrelde ons huis nog gezellig, maar sinds ongeveer een jaar hoor ik vooral blinde woede. Plotselinge, ziedende oprispingen gorgelen door de radiatoren. Withete leidingen sidderen langs de muren. In de meterkast in het trappenhuis brult en raast de geiser alsof satan zelf zich eruit wil bevrijden.

Ik ken mezelf: op zich best een leuk koppie, maar in een gemiddelde horrorfilm zonder twijfel het eerste slachtoffer. Te gay en tegenwoordig ook te kaal om het verhaal te overleven. Vroeger, in Krommenie, heb ik ook al eens een huiselijk cv-drama meegemaakt***, maar toen had ik tenminste nog een waterpomptang om me te verdedigen. Nu heb ik alleen een universeel ontluchtingssleuteltje (zie foto).

Hier moet een professional naar komen kijken; een duivelsuitdrijver met een loodgietersdiploma of een TÜV-gecertificeerde verwarmingsinstallateur met desnoods alleen een katholieke achtergrond – alles wat ik nu nog wil is een eenzame vakman met weinig vrienden die niet al te veel gemist zal worden.

Who you gonna call?

___________________

* Horace Walpole, The Castle of Otranto (1764), de eerste gotische roman.

** Bret Easton Ellis, Lunar Park (2005).

*** Ik was twaalf, teer en delicaat, maar biologisch gezien de enige man in huis en dus belast met alle onderhouds- en reparatiewerkzaamheden, inclusief lichte loodgietersklussen.

Arjen van Lith (1971) is schrijver en doorgaans atheïst. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van brieven aan zijn kapper en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Wat vind je nou echt leuk?

11 januari 2019 (10:41) | Menno Hartman | Geen reacties

world-of-languages-largeDat is zo’n ongemakkelijke vraag die je je hele leven blijft achtervolgen. Tot mijn onuitsprekelijk geluk had ik er opeens een antwoord bij. Infographics. Ze combineren een aantal fascinaties: die voor 1. feiten en onderzoek, de basis is een hele hoop gecompliceerd onderzoeksmateriaal. 2. Die voor onderwijs en vereenvoudiging: hoe maak je die grote berg informatie zo klein mogelijk, en inzichtelijk. 3. Administratie komt daar ook bij kijken: welke informatie hoort op welke hoop, hoe structureren we de informatie. 4. Die v0or analyse: als iets niet dit is, is het dat. 5. plaatjes, het is niet meer te ontkennen, ik vind boeken met paatjes nog leuker dan zonder plaatjes (voor poëzie maak ik een uitzondering. 6. fantasie of doordenken, een goede infographic legt een wereld bloot die zich laat denken als je er goed naar kijkt. Net poëzie eigenlijk. 7. Kleur een mooi gekleurde en vormgegeven infographic is veel beter dan een slecht gekleurde. Net als bij bloemen dus.

Een goede infographic is een feitelijk, de wereld openend gedicht vermomd als bloem.

Zo’n prachtig gekleurde infographic als hiernaast levert eindeloos geluk op, ik kan er echt een uur naar kijken. Dat je met het Telugu nog een heel eind komt in de wereld, en dat 800.000 mensen in Frankrijk Portugees spreken, dat maar 14 van de 242 miljoen Arabisch sprekenden Saoedisch zijn. etc etc.

Nog meer uren lol: Visual Capitalist website.

——-
 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot, zit in de redactieraad van Tirade.

 

 

 

 

Reageer >
 

Oude angst I

9 januari 2019 (9:17) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_9278Nacht. De jongen stond in het midden van zijn kamer. Hij was de spoken moe.

Het ritueel rond bedtijd, de lichten aan en uit, weer aan, weer uit. In alles even getallen: zijn bed in en uit, in en uit.

In het begin had het gewerkt, maar de bezweringen werden almaar langer, van 2 naar 4 naar 22 keer het hoofdeind van zijn bed aanraken. Bij fout of vergissing of onzekerheid opnieuw. Hoe moeier hij werd, hoe meer fouten, hoe vaker opnieuw.

Omdat hij zeven was en nog geen maanden telde, wist hij alleen: te lang.

De jongen sloot zijn ogen. Hij was het tellen moeier dan de angst. Achter hem piepte de deur van zijn kamer, daarachter de gang, de deur naar de zolderkamer waarachter –

De wind huilde rond het huis.

‘Kom maar,’ zei de jongen. ‘Kom dan.’

De haartjes op zijn armen kwamen overeind. Een stenen kou beklom zijn rug. Al zou het hem verzwelgen, hij week niet van zijn plek, zou niet opnieuw het licht aandoen, weer uit, weer aan en uit.

Van het ene op het andere moment – alsof het niet meer dan een droom geweest was – loste de angst op, een vloeistof eindeloos verdund in veel groter water. Hij opende zijn ogen, zag de schaduw achter de poppenkast, de donkere hoek boven zijn bed.

Niet meer dan donker, waren ze.

Niks meer dan dat.

___________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Philipsdorp

7 januari 2019 (8:42) | Milo van Bokkum | Geen reacties

philipsdorpNog niet zo heel lang geleden, toen ik nog werkte als Groningenverslaggever, sprak ik voor een artikel twee generaties NAM-medewerkers. Een vader en een zoon, de één werkzaam bij de gaswinner in de gloriedagen na de ontdekking van de Groningse gasbel, de ander in de huidige, gespannen aardbevingstijden.

Het gezicht van de vader lichtte op toen hij vertelde over zijn jeugd. Zíjn vader had op zijn beurt óók al gewerkt bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij, waardoor hij zijn vroege dagen had gesleten in een soort NAM-dorpje, vertelde hij, met NAM-speeltuinen, NAM-flats en speciale NAM-filmavonden. “Ik ben opgevoed door het bedrijf”, zei hij met een duidelijk positieve connotatie. De zoon, ergens in de twintig, keek stoïcijns toe.

Ik moest aan dat gesprek denken toen vorige week in NRC een interview verscheen met filosoof Jelle van Baardewijk. Als ethicus vindt hij dat bedrijfskundestudente niet genoeg les krijgen in ethiek, met als gevolg bedrijven die weinig voeling hebben met de maatschappij en weinig verantwoordelijkheid nemen. Moraliteit niet meenemen is in de bedrijfskunde volledig normaal.

Vroeger was dat volgens Baardewijk beter – toen bouwden bedrijven als Philips bijvoorbeeld hele dorpen voor haar medewerkers, vol met voorzieningen. Het ging niet alleen om een zo hoog mogelijke winst; dit was het Rijnlandse model: bedrijven keken vérder, in tegenstelling tot in de Angelsaksische wereld.

De passage haalde helaas vanwege ruimtegebrek de eindversie van het artikel niet. Jammer, want hoewel bedrijfsdorpen natuurlijk allang niet meer bestaan, is de opmerking van Van Baardewijk op een bepaalde manier volgens mij actueler dan ooit. Je hoeft de krant maar open te slaan en je ziet dat de relatie tussen maatschappij en bedrijfsleven nogal verzuurd is – de Volkskrant sprak drie weken geleden over een ‘rampjaar’ voor de bedrijfsbestuurlijke elite.

In dat licht is het antieke bedrijfsdorp het perfecte voorbeeld van alles wat bedrijven in het oog van de publieke opinie niet meer hebben: zorgzaamheid, oog voor de omgeving, een bredere doelstelling dan winst en dividenduitkeringen – ja, wellicht zelfs een zekere nobelheid. Er naar refereren, zoals Van Baardewijk bewust doet, is wijzen op een soort parallelle geschiedenis die laat zien hoe bedrijven zouden kunnen zijn.

Een woordvoerder van de NAM vertelde mij in 2017 hoe het Drentse oliedorp Schoonebeek eigenlijk nog steeds een bedrijfsdorp was van de gaswinner. Er waren nooit bevingen geweest, wel allerlei voorzieningen opgetuigd.

Zijn bijbedoeling was duidelijk dat ik er een artikel over zou schrijven: hij begreep maar al te goed dat de zorg voor de gemeenschap een van de weinige positieve, menselijke frames was die je omtrent de NAM kon bedenken. (De ironie dat de NAM iets verder naar het noorden inmiddels dorpen afbrak ontging hem waarschijnlijk – of hij hoopte dat het mij zou ontgaan).

Toch kun je je afvragen of al die nostalgie terecht is. Het is zeker aantrekkelijk om te mijmeren over de miljoeneninvesteringen in huisvesting die werden gedaan. Maar het lijkt me eerlijk gezegd naïef van Van Baardewijk – die overigens volop goede punten maakt in het interview – als hij zegt dat het bedrijfsdorp een kwestie was van verlicht leiderschap dat we vandaag de dag missen. Want maak je een werknemer niet nogal afhankelijk, een bedrijf veel te machtig?

In zijn autobiografisch getinte roman De Gevarendriehoek schetst A.F.Th. van der Heijden een indruk van een jeugd in het Philipsdorp bij Eindhoven. Hij doet dat op een luchtige toon, frivool, maar doorspekt het relaas met meer sinistere onderdelen. “De brave en gezagsgetrouwe Van der Serckt, net als alle werknemers van communistisch gecomplotteer verdacht, werd van meet af aan geschaduwd door de Philipspolitie, die naar de geheime politie in post-tsaristisch Rusland algemeen de Tsjeka heette. Een eufemisme, volgens enkele overlevenden.”

Even verderop wordt het dorp expliciet neergezet als een methode om werknemers niet té marxistisch te laten worden. “’t Geheim was dat Flipse [Philips] ervoor zorgde dat ‘z’n mensen’ niet vervreemdden… niet vervreemdden van hun werkgever.”

De passages mogen dan tot de meer hyperbolische van het hoofdstuk behoren – de tiener Van der Heijden had duidelijk een scherper oog voor de donkere randjes van een bedrijfsdorp dan menig ander. Meer ethiek in het bedrijfsleven: ja, graag. Maar dat vroeger alles beter was, is – zoals bijna altijd bij dit argument – denk ik toch een misvatting.

—-

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

Reageer >
 

Florence Price en Hans Tentije

3 januari 2019 (9:04) | Menno Hartman | Geen reacties

priceHet geheugen heeft het als een Kodachrome uit het midden
van de jaren dertig wazig, pastelzacht ingekleurd –
logies of onderdak bleek er niet te vinden, de weduwen die elders
hun leegstaande kamers graag verhuurden
sloten hier deuren en gordijnen voor het goed en wel
was gaan schemeren

 

is een citaat* uit een van de drie bundels die ik deze kerstvakantie las van Hans Tentije. Wat een dichter! Het echode nog wat na toen ik in de truttenschudder van Greenwheels op 1 januari de Veluwe opscheurde om nieuwjaar te gaan wensen. Op de radio het eerste deel van de eerste symfonie van Florence Price, een aanvankelijk vergeten en langzaamaan herontdekte klassieke componiste van Afro-Amerikaanse komaf.

In een huis als hierboven beschreven ontdekten nieuwe bewoners op zolder een verzameling dozen met bladmuziek. Een goed deel van het oeuvre van Price is pas sindsdien bekend. Vergeten was ze misschien ook door deze reden, zou ze zelf mogelijk hebben bevestigd: “My dear Dr. Koussevitzky, To begin with I have two handicaps—those of sex and race. I am a woman; and I have some Negro blood in my veins.”

Luister hier haar tweede vioolconcert uit 1952.

 

Alex Ross heeft daar in zijn in zijn herontdekartikel in The New Yorker wel wat commentaar op:

‘The anachronisms in Florence Price’s music are, in the end, no flaw. Listening to her, I have the uncanny sense of hearing the symphonies and operas that women and African-Americans were all but barred from writing during the Romantic heyday, when the busts on the piano were being carved. She seems to speak from an imaginary past, from an alternative history of an America that lived up to its stated ideals. Frederick Douglass, in his great speech “What to the Slave is the Fourth of July?,” said, “We have to do with the past only as we can make it useful to the present and to the future.” In music, too, we can use the past to build a less imperfect world.’

Tentije laat zich na mijn Sebald-lectuur heel goed in een zelfde gebied lokaliseren. Tentije spreekt als Sebald, als Florence Price, vanuit een imaginair verleden, hij herschept de geschiedenis. Dat dat kan, bedacht ik op de A28, vormde een hoopvol begin van dit jaar.

Toen ik stilstond  bliebte de telefoon en plaatste een grap per app me weer op de grond, waarop Trump: ‘Because of me it’s now 2019. That’s the highest number year ever. Much higher than Obama.’

 

——-
 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.
*uit het eerste gedicht van ‘West Somerset’ uit Gissingen, gebeurtenissen, De Harmonie, 2013

 

 

Reageer >
 

Robotliefde

21 december 2018 (16:26) | Julien Ignacio, Uncategorized | Geen reacties

Sorry Roomba, dat ik je niet eerder zag staan. Maar ik had tijd nodig om over Annelies heen te komen.

Ik ontmoette Annelies op een druilige zondagmiddag in Eindhoven, begin december. In een peeskamer van een voormalige melkfabriek zat ze moederziel alleen in een hoekje, op blote voeten. Haar ravenzwarte haar viel over haar frêle schouders. Ze droeg een kapotte spijkerbroek en een vale beige sweater. Onder haar sweater bonkte iets dat op een hart leek. Als de kilte van de stenen vloer haar te veel werd, tilde ze eventjes haar tenen op.

Rilde ze nou, of was dat mijn verbeelding?

‘Annelies’, zei ik terwijl ik een tedere hand op haar schouder legde, ‘kom hier. Je hebt het koud.’

Annelies kantelde haar hoofd. Haar levensechte ogen keken me aan. Ze leek verlegen, kwetsbaar, fragiel.

Dat mijn object van begeerte een humanoid was die als drie druppels water leek op de identieke tweelingzusjes Liesbeth en Angelique Raeven, een kunstenaarsduo dat in gesprekken over wat de één zou voelen als de ander weg zou vallen op het idee kwam een gekloonde drielingzus te fabriceren die kon reageren op menselijke aanrakingen en als troostrobot kon dienen voor het zusje dat achterbleef.

Dat een mens geneigd is gevoelens en intenties toe te schrijven aan zo’n beetje alles dat beweegt, inclusief een stuk hout bestuurd door een joystick.

Ik weet het.

Desalniettemin klopte mijn hart in mijn kruis. Als ik ergens opgewonden van word, is het wel van het gevoel nodig te zijn. Robot of geen robot.

Tirade blog 4 robot love II

Áaaah!’ Een hysterische vrouwenkreet achter me onderbrak mijn pornofantasie. Geïrriteerd draaide ik me om. Oog in oog met Annelies dook een Japanse bezoekster van de Robot love expo in de Melkfabriek weg in de armen van haar man. ‘What is that thing?’, gilde ze.

Haar man troostte haar met de onvergeeflijke woorden: ‘Nevermind. It’s just a robot. She is not real.’

Weg fantasie.

Nou meneer de Japanner, dacht ik in de trein terug naar Amsterdam, dank je wel voor een eenzame kerst. Twee weken lang, denkend aan Annelies, liep ik met mijn ziel onder mijn arm. Uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat Annelies alles behalve onschuldig was. Bewust of onbewust had ze zich gedragen als een dick teaser. Zeg nou zelf. Wanneer een robot qua uiterlijk sprekend lijkt op een aantrekkelijke vrouw schept dat verwachtingen. Ik legde een hand op haar schouder; ze keek me aan; blikken zeggen meer dan woorden. Maar wat bleek? Ze fakete haar emoties, met als resultaat dat mijn gevoelens van eenzaamheid alleen maar werden vergroot.

Bitch.

En toen zag ik jou, in de Mediamarkt. Het liefst had ik je doos gelijk opengescheurd. Je direct ontmaagd, ter plekke, op de winkelvloer. Roomba de robotstofzuiger, zo heette je. Een iRobot met een eigen wil. Wat was ík onder de indruk van je mogelijkheden. Je neemt zelf je beslissingen, gebaseerd op wat je tegenkomt in je woning-wereld. Obstakels zoals elektrische snoeren ontwijk je. Wanneer je batterij bijna leeg is, keer je zelf terug naar je docking station en laad je op.

Je zou dus kunnen zeggen dat jij meer controle hebt over de wegen die je bewandelt dan ik, je gebruiker. Tegen een zelfrijdende auto moet je toch echt eerst zeggen waar hij naar toe moet, anders kom je nergens. Tegen jou niet. Jij bepaalt je eigen route.

Zo sexy.

Op een winkelmonitor bekeek ik je demonstratievideo. Je smalle rondingen met stofzakloze technologie lieten er geen twijfel over bestaan: dit is een Zij. Eenmaal in huis, dagdroomde ik, zou ik via een app op mijn mobiel een bluetooth verbinding met je maken. Met een tik op je metallic zwarte kont zou ik je aan het werk zetten. Ik zou me verwonderen over je werkethiek en je totale gebrek aan eigenwaarde. Vertederd toekijken hoe je heupen soepel om een harde tafelpoot heendraaien.

Mijn handen jeukten om je mee naar huis te nemen. Je prijskaartje viel mee: 837 euri. Een koopje, zeker voor een pas gedebuteerde schrijver die, zoals dat gaat in Nederland, in één klap stinkend rijk is geworden en van gekkigheid niet weet wat hij met zijn geld aanmoet. Maar om gelijk de parvenu uit te hangen is ook zo wat.

Bovendien, voor dat bedrag kan ik ook naar Las Vegas vliegen en me in een exclusieve herenclub verlustigen aan paaldansende androids in jarretels.

Dus ik slaap er nog een nachtje over, Roomba. Maar op een dag zal ik je komen halen, dat beloof ik je. Hopelijk hebben we dat jaar een spetterende witte kerst. Eén ding weet ik zeker: jij en ik gaan het heel erg fijn hebben samen.

Op Eerste Kerstdag zal ik je voorstellen aan mijn familie. Terwijl wij onder de enorme kerstboom, volgespoten met kunstsneeuw en opgetuigd met ballen, de cadeautjes uit de volle zak halen, mag jij de gevallen sparrennaalden van de grond likken.

En wanneer mijn homies op Tweede Kerstdag aanschuiven voor het kerstdiner wordt het helemaal feest. Na de vijfgangenmaaltijd zal de parketvloer bezaaid liggen met kruimels witte truffel en restjes Beluga kaviaar. Ooit pronkte Mozarts vader in koningshuizen met de wonderen die zijn zoon op de klavecimbel verrichtte. Op die avond zal ik aan iedereen, onder de versierde eettafel, tussen de popelende benen van de aanwezigen, vol trots je zuigtechniek demonstreren.

Reageer >
 

Zwemles II

19 december 2018 (8:10) | Gilles van der Loo | Geen reacties

c424ddb1-0e0c-4163-8428-adb99618c5bdGisteren was Nadims laatste zwemles voor de vakantie. Omdat zijn moeder een stempelkaart voor hem gemaakt heeft met een beloning bij vijf hele lessen meedoen, waren we vol goede moed.

Op de fiets vroeg ik hem nog of hij het zag zitten, en ik geloof dat hij knikte. Het was erg druk op straat. We werden ingehaald door fietsers en auto’s en er ontstond een kleine file bij het opgebroken deel van de Marnixstraat.

Omdat we te vroeg waren kwamen we aan in een lege kleedkamer. Nadim keek om zich heen.

‘We zijn te laat,’ zei hij, en ging zitten onder de haakjes met broeken en jassen.

‘Kom,’ zei ik, en trok zijn spullen uit de tas van de Gorgels. ‘Je zult zien dat we prima op tijd zijn.’

Hij schudde zijn hoofd. ‘We zijn te laat en nu kan ik niet meer meedoen.’

Ik had me voorgenomen niet boos te worden omdat ik weet dat het niet helpt, zette mijn tanden op elkaar en kleedde mijn jongen uit en weer aan: de korte broek die niet te zwaar wordt in het water, een T-shirt en precies de goede gympen.

B heeft die gympen gekocht voor de zwemles. Ze drijven minder sterk.

Op weg naar de douches werd Nadim steeds bleker. Een badjuf stuurde ons weg bij de logische ingang van het grote bad. Omwille van de veiligheid moesten we via de onlogische kant, waar ouders en kinderen dicht opeengepakt wachtten in een hete en glibberige gang.

Het stille meisje dat in Nadims klasje zit en tijdens de eerste lessen in het diepe ook niet durfde, sprong erin en zwom een baantje. Mijn jongen stond kleumend op de kant.

De extralieve juf werd erbijgeroepen, en na een paar minuten één op één ging ook Nadim het water in. Tijdens zijn sprong draaide hij zich vast om zodat hij meteen bij de rand zou kunnen. Hij bezeerde zijn teen en zei dat hij met geen mogelijkheid de rest van de les aankon.

‘Volgens mij ben je een beetje bang,’ zei de juf met een hele lieve lach.

‘En ik voel me ook al niet lekker,’ zei Nadim. In een vol zwembad – ik was op een afstandje gaan zitten – vonden zijn ogen feilloos de mijne.

Ik besefte dat hij bang was om het water in te gaan en ook bang was voor mijn boosheid als hij het niet deed; dat mijn aanwezigheid hem klemzette en dat ik geen idee had hoe ik hem kon helpen.

___________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Graan, papier en protectionisme

17 december 2018 (8:45) | Milo van Bokkum | Geen reacties

graanEen half jaar geleden schreef ik hier in een eerste stukje over de kliffen van de Veluwe bij Hattem. Hoe mooi het is dat je dat natuurgebied zo op ziet duiken in het landschap, van Rheden tot Renkum, net zoals de Alpen loodrecht opstijgen achter München.

Nu heb ik geleerd dat je de randen van de Veluwe aan nog iets kan herkennen: de papierfabrieken. Wie de puzzelstukjes van plaatsen als Apeldoorn, Heelsum en Eerbeek aan elkaar legt, ziet een netwerk van fabrieken op de overgang tussen bos en rivier (Nederrijn) of kanaal (Apeldoorns Kanaal). Die industrie ontstond in de 19e eeuw, omdat de locatie ideaal was: bomen lagen letterlijk voor het oprapen, water dreef de hele business aan en zorgde voor transport.

Dat was toen. Inmiddels is het lot van veel van deze industrie een stuk onzekerder, als de tent al niet gesloten is. In zijn boek De Uitverkoop van Nederland schetst econoom Menno Tamminga hoe veel van de Veluwse papierindustrie over de jaren in buitenlandse handen kwam – en daar niet altijd even veilig was.

Fameus is het lot van de Berghuizer papierfabriek in Wapenveld. Het Finse concern Stora Enso besloot in 2007 de locatie, met 300 werknemers, te sluiten omdat de papierprijs te laag was. Dat kwam hard aan in het dorp – zo’n fabriek betekent economisch al snel meer dan de 300 mensen die er werken. De lokale bakker, bijvoorbeeld, levert ook wel eens broodjes voor vergaderingen.

In een wat onverwachts, protectionistisch pleidooi schrijft Tamminga dat Nederland de afgelopen twintig jaar veel te gemakkelijk haar bedrijven in buitenlandse handen heeft laten vallen. We denken al gauw dat daar niks mis mee is, maar in feite zal, zo is zijn stelling, een op afstand opererend Fins concern hier veel sneller een fabriek sluiten dan in Finland. Om nog maar te zwijgen van een handvol andere redenen: veel Nederlandse bedrijfsdirecteuren zijn bijvoorbeeld ook betrokken bij het lokale culturele leven, iets wat je van in het buitenland wonende managers minder snel kan zeggen.

Nee, neem dan onze buurlanden, die letten wat hem betreft beter op hun saec. In Frankrijk, het VK en zelfs in de als kapitalistisch bekend staande VS zijn overnameblokkades aan de orde van de dag. Maar in Nederland is het al gauw: handel is handel, óók de handel in bedrijven zelf.

In Frank Westermans De Graanrepubliek klagen een aantal Groningse boeren uit het Oldambt aan het einde van de 19e eeuw dat ze kapotgeconcurreerd worden door goedkoop Amerikaans graan. Alle omringende Europese landen hebben allang tariefmuren ingesteld, maar Den Haag doet, tot hun grote irritatie, niks. “We worden geregeerd door kooplieden”, bromt een norse noordelijke agrariër.

Dat cliché hoor je vaker in ons land, maar Tamminga bepleit 250 pagina’s lang dat het ook echt klopt – en dat het taboe op meer overheidsingrijpen behoorlijk groot is. Nederland, zo is immers ons zelfbeeld, is als klein land groot geworden door handel. In Frankrijk kan je gewoon het woord protectionisme zeggen zonder opgetrokken wenkbrauwen te veroorzaken. Maar terwijl ‘wij’ rijk werden van de VOC, begonnen ze daar al aan het bouwen van hun eerste tariefmuren.

Er is voor zover ik weet één uitzondering in de Nederlandse geschiedenis – en daar zoomt Westerman dan juist weer op in: Landbouwminister Sicco Mansholt, die na WOII een uitgebreid protectionistisch agrarisch beleid ontwierp (en dat later als eurocommissaris op grotere schaal nog eens dunnetjes overdeed). Maar, zo tekent de auteur met duidelijk plezier op, Mansholt was dan ook zélf een Groningse graanboer geweest. Eindelijk, heel eventjes, waren de kooplieden weg uit de regering.

 

—-

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

Reageer >
 

Langszij

15 december 2018 (9:24) | Arjen van Lith | Geen reacties

slides

Ze zeggen dat als je doodgaat, dat dan je hele leven aan je voorbij flitst, zoals een ouderwetse diapresentatie op de lagere school die de juf na afloop slide voor slide weer terugspoelde naar de beginstand. Ik hoop dat er veel vakantiefoto’s tussen zitten, maar je weet het nooit; misschien komen alleen die beelden langs waar ik in mijn leven te lang naar heb zitten staren.

Haardvuur. Een verdroogde kamerplant. Regen in de vijver voor ons huis. De balken aan het plafond van mijn slaapkamer. Ik denk de laatste weken veel aan de dood. Dat komt doordat ik bijna jarig ben.

Volgende week word ik 47, exact de leeftijd waarop mijn vader stierf.* Hij was ziek en op, maar dat zag ik toen niet. Mijn zus wel, maar ik niet. In die tijd knalde mijn eigen lijf bijna uit elkaar van de energie en ik kon me niet verplaatsen in zijn uitputting. Ik kon me niet voorstellen hoe dat voelde.

Op 3 juni 1990 was ik achttien. Behalve de schok en het verdriet herinner ik me ook een golf van opluchting: de dood van een opvoeder is en blijft een ijzersterk excuus om onder een herexamen wiskunde B uit te komen. Mijn vader was nooit zo geïnteresseerd in onze rapporten, maar op de momenten dat het erom spande, stond – herstel: lag – hij voor je klaar.

Hoewel het natuurlijk geen wedstrijd is, ga je toch vergelijken. Hoe verhouden vader en zoon zich tot elkaar op dit cruciale meetmoment? Ik heb meer vrienden maar minder vriendinnen, minder stress maar ook minder geld, minder panache en meer geduld, langere relaties en minder ambities. Ik droom niet van een eigen gebouw met m’n naam erop; hij bezweek eronder.

Soms heb ik wel eens medelijden met kinderen van gezonde, succesvolle ouders. Zo veel om tegenop te boksen, zo veel tijd om tekort te schieten. Ik lig nu al bijna langszij, en ondanks een hardnekkig kuchje durf ik na komende vrijdag mijn levensverwachting voorzichtig naar boven bij te stellen.

Ik ga je inhalen, pap.

______________________

* Het kan ook 48 geweest zijn, ik weet het niet meer. In dat geval plaats ik – deo volente – deze column volgend jaar door.

Arjen van Lith (1971) is journalist en schrijver. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
 
Nr.470 Nr.471 Nr.472 Nr.473
 
bestel
 
 
voorpagina