De dood in je achtertuin

4 april 2017 (9:46) | Gilles van der Loo | 1 reactie

DSC_0640Vanochtend scheen de zon. Toen ik Ada naar de crèche en Nadim naar school gebracht had haalde ik thuis Otis de Hond op voor een rondje Westerpark. Het rennen wil niet zo de laatste tijd, en dus gaf ik er na een aantal kilometer de brui aan om verder te wandelen.

Ik liep langs Sloterdijk (het voormalige dorp) en dacht aan het boek dat ik ga schrijven; ging onder de spoorlijn door en volgde het pad terug in de richting van het centrum. Zoals altijd werd mijn oog getrokken door het opzichtershuis van begraafplaats Sint Barbara. Sinds B en ik naar huizen kijken fantaseer ik vaak over de toekomst.

Ik stelde me een zomeravond voor in de tuin van het huis naast Sint Barbara. Een barbecue met vrienden. Misschien zouden ze niets zeggen over hoe het was om naast al die zerken worst te eten. Misschien zouden ze zeggen dat het best meeviel.

De dood in je achtertuin. Ik vroeg me af of ik er zelf last van zou hebben: het besef dat je kropsla tiert op lijkvocht.

Ontkenning leek geen optie. Het zou hem meer zitten in welke draai je eraan gaf, welk verhaal je ervan maakte. Op de Assistens Kirkegård in Kopenhagen is men picknicks gaan verbieden omdat het op zomerse dagen de spuigaten uitliep. Nabestaanden werd het rouwen onmogelijk gemaakt door baklucht en housemuziek.

Ja, besloot ik, ik zou prima aan de rand van een kerkhof kunnen wonen. B, die zonder een vorm van hiernamaals is opgegroeid, zou er meer problemen mee hebben. Toen we een huis bezichtigden dat door nazaten van de bewoonster werd verkocht leek ze wat stilletjes; weer op de stoep vroeg ze in welke kamer ik dacht dat die mevrouw overleden was.

Als je om Sint Barbara heen loopt kun je aan de achterkant van het terrein zien waar men de geruimde graven laat. Ik dacht na over wat je kinderen moet vertellen over de dood. Omdat mijn vriend Gijs acht maanden voor de geboorte van Nadim overleed had mijn zoon er al heel vroeg weet van. Het leek me goed hem niets te onthouden wat hij toch wel aan zou voelen. Nu ben ik daar niet zo zeker meer van.

Gezien een kind uiteindelijk toch alles te weten komt is het misschien genadiger het een tijdje de waan van onsterfelijkheid te laten.

Terwijl ik terugliep naar huis vroeg ik me af waarom Nadims momenten van grote vreugde me altijd het meest ontroeren. Waarom ik huil als hij extatisch door hoog gras rent of zich gillend van een heuveltje laat rollen.

Er is een afstand tussen waar hij op die momenten is en waar ik me bevind. Alsof ik op een andere oever sta en besef dat er geen weg terug is.

 

____________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

1 reactie >
 

Op avontuur

3 april 2017 (7:00) | Roos van Rijswijk | Geen reacties

Lambert_Doomer_1624_1700Mijn broertje is al een paar weken op reis, wanneer hij terugkomt weet niemand, ook hij niet. Hij hoopt op jaren. Toen we hem en zijn vriendin op Schiphol uitzwaaiden heb ik gehuild als een baby en eenmaal buiten – mijn moeder en ik rookten een sigaret, zaten op de rand van een stenen plantenbak – probeerde mijn kleverige kop weer op gang te komen.

‘Ik kan me er zo weinig bij voorstellen,’ zei mijn moeder.

‘Het is heel normaal, nu, reizen,’ zei ik maar kon me er ook heel weinig bij voorstellen.

Ver weg ben ik weleens geweest; een keer in Mexico, twee keer in Amerika. Maar altijd onder de vleugels van iemand die alles regelde en een broertje dood had aan reizen – mijn broertje slaapt op stranden, of in een hangmat met een klamboe eroverheen, mijn vakantiegezelschap gaf de voorkeur aan schone hotels en bungalows met tv-verbinding. Ik vond alles best. Het feit alleen al dat ik buiten Europa was, was sensationeel genoeg.

Als ik denk aan ‘reizen’ staat het zweet me gelijk onder de oksels. Wat regel je eerst, je vlucht of je slaapplaats? Hoe régel je die dingen überhaupt? Hoe ongemakkelijk zijn welvaartsverschillen in het land van aankomst (alleen al het feit dat ik me deze vraag stel doet me ineenkrimpen, vreselijk wezen dat ik ben)? Een maand langer wegblijven, maar wel in stinkhostels pitten, of korter weggaan en in hotels slapen? Waarom heb ik toch zo’n grafhekel aan kamperen?

Heimwee heb ik nooit, bang ben ik zelden, wel lijd ik aan organisatiezeer; ik overzie het allemaal niet, waardoor ik al snel denk: laat ook maar. Bovendien maak je me al straalgelukkig als je me in een vreemde stad neerzet en daar rondjes laat wandelen om naar gebouwen te kijken die ik niet ken, en om in mijn eentje een maaltijd te bestellen in een onbekend eetcafé. Die vreemde stad ligt bij voorkeur in Europa, zodat de overgang niet te groot is maar vermoedelijk toch groter dan bevroed. Ik zeg altijd dat ik niet wil reizen maar eigenlijk is dat niet waar – heel, heel graag zou ik een paar maanden, of misschien wel een jaar lang per trein door dit werelddeel reizen. Als ik eenmaal in een trein zit is alles oké: hij gaat vooruit, ik kan er niet uit en niet verkeerd rijden, kan gewoon rustig naar buiten kijken. En als ik eenmaal in de stad of het dorp van aankomst mijn slaapplaats heb gelokaliseerd ben ik dagen zoet met het in steeds grotere cirkels door mijn omgeving wandelen. Je leert vanzelf de leuke mensen en mooie plekken kennen, op die manier, en je weet altijd de weg naar ‘huis’. Mijn grand tour zou beginnen in Nederland, want ook hier zijn zat plekken waar ik hoogstens een halve voet heb gezet.

Maar ja. Voor een Eurotrip heb je geloof ik best veel geld nodig, als je tenminste vakkundig de kampeerterreinen wilt vermijden en van treinen houdt.

Afgelopen vrijdag zei ik mijn moeder gedag. Halfsentimenteel gaven we elkaar een aangeschoten knuffel.

‘Zet ’m op,’ zei ze.

Vanaf vandaag woon ik drie maanden in Maastricht. Een avontuur zo groot en leuk dat ik al een week raar droom, terwijl ik mezelf ook een beetje pathetisch vind. Vooral omdat ik via Instagram foto’s van mijn reislustige broertje zie, met apen erop en oerwouden, stranden, zijn bruine kop.

Het cirkelen moet ergens beginnen.

roos-van-rijswijk-foto-irwan-droog-kleinRoos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Reageer >
 

Onzichtbaar (1)

2 april 2017 (22:28) | Pauline Genee | Geen reacties

Mijn verlangen naar onzichtbaarheid is zo oud als ikzelf. Ik was de jongste thuis, een nakomertje, het enige meisje bovendien, het was voor iedereen het prettigst als ik af en toe gewoon even werd vergeten. Ik werd een meester in me verstoppen zonder te worden gezocht, op plekken waar niemand keek.

In het weekend, als iedereen thuis was, zat ik het liefst onder de eettafel. Op het zachte tapijt en met mijn rug tegen de radiator genoot ik van de veilige geluiden van ons overvolle huis: het gebral van mijn jongste broer over slam dunks en home runs; de onbegrijpelijke teksten van mijn middelste broers over sinussen, co-sinussen en priemgetallen; het drumstel van de oudste. En dan mijn vaders voortdurende gemopper. Dat het huis alweer een vreselijke bende was, nog erger dan het vorige weekend en daarvoor en daarvoor en sinds mensenheugenis, en waarom moest hij nou juist weer een vrouw treffen die zonodig elk weekend concertpianiste moest zijn?

Doordeweeks, als het huis licht, leeg en rustig was, ontving mijn moeder haar leerlingen. Dan kroop ik onder de vleugel, waar de muziek me uit de zangbodem tegemoet golfde, waar ik zicht had op de pedalen, die door bedachtzame voeten op en neer werden geduwd – ritmisch, pompend, alsof ze een grote waterfiets voort trapten. Ik was de verstekeling in het ruim, gewiegd door klotsende tonen, en ik hoopte maar een ding: dat de laatste noot voorlopig niet komen zou, de noot die betekende: kruk naar achter, opstaan en afrekenen. Tot volgende week, en trouwens, waar is Polleke? Polleke? Ach Polleke toch! Kom jij eens gauw tevoorschijn, Polleke?

De overbuurman met het zwarte haar en de donkere stem kwam ook op les. Maar als zijn laatste noot wegstierf, schoof de kruk niet naar achter. In de stilte bleven mama en hij stilletjes zitten. Er volgde wat gemompel, gefriemel met handen op bovenbenen, hun voeten gleden van de pedalen. De punten van hun schoenen keerden zich lichtjes naar elkaar en als daarna de zolen een tijdlang rusteloos over het parket schoven hield ik mijn adem in. Tot mijn moeder zich met lichte paniek in haar stem en hijgend als een drenkeling, herinnerde dat ze behalve pianojuf ook moeder was: Polleke? Polleke, waar zit je, kom eens tevoorschijn, Polleke!

Ik denk dat ze echt niet wist waar ik al die tijd gezeten had.

Onder die vleugel werd ik ingewijd in de geheimen der onzichtbaren: hun overkomen de meeste en de mooiste verhalen.

Pas later – veel later – begreep ik dat die verhalen alleen echt gebeurden, als je wist hoe je ze vertellen moest.

En dat de briefjes die ik die avond onder haar hoofdkussen had gelegd, door mijn vader gevonden moesten zijn. Waarom had ze mijn vragen over de overbuurman anders nooit beantwoord?

—————————

Pauline Genee (1968) debuteerde in 2014 met Duel met paard (Querido). In 2017 verschijnt haar tweede roman: Roadblock. Zij is daarnaast moeder van een keeper en speechschrijver bij Buitenlandse Zaken.

Reageer >
 

Bris

1 april 2017 (15:47) | Arjen van Lith | Geen reacties

Bris

Neem een willekeurig positief geheel getal. Als dit getal even is, deel je het door twee. Als het oneven is, vermenigvuldig je het met drie en tel je daar één bij op. Met de uitkomst doe je hetzelfde, opnieuw en opnieuw:

Even: n/2

Oneven: 3n+1

Klopt het dat je altijd, ongeacht het begingetal, uiteindelijk uitkomt op 1? De Duitse wiskundige Lothar Collatz dacht van wel, maar helemaal zeker wist hij het niet, want het is onmogelijk om een oneindig aantal getallen in te voeren. Zijn Collatz Conjecture (1937) staat nog altijd open.*

Dankzij diezelfde Collatz Conjecture waren we deze week aanwezig bij de bris, de joodse besnijdenisceremonie voor het pasgeboren zoontje van professor S., met wie mijn M. al maandenlang is verwikkeld in een nek-aan-nekrace om het wiskundige bewijs. Voor mezelf vergelijk ik het met de film Terminator: het hoofd van Professor S. versus de software van M. Mens tegen machine. M. staat voor, maar daar gaat het nu niet om.

Dankzij de Collatz Conjecture zijn M. en professor S. vrienden geworden.

Professor S. had zijn schoonfamilie uit Israël laten invliegen, er waren bagels met zalm en er was taart met de naam van de kleine erop. Er waren oude vrienden van de oostkust en studenten van de faculteit. Iedereen praatte met iedereen. Sommige heren droegen cowboylaarzen onder hun pak, alle dames waren naar de kapper geweest. Goed voor M. om hier te zijn, dacht ik, en knikte naar de baas van de faculteit die in de keuken stond te smoezen met de voorzitter van de sollicitatiecommissie. Ik ben geen expert op het gebied van het jodendom, maar bij een bris is het zien en gezien worden, dat is duidelijk.

De grote, hoge woonkamer van professor S. rook naar vers gezaagd hout en kozijnverf, alsof hij speciaal voor de bris een huis had laten bouwen. In de serre bij de schuifpui naar het balkon stonden de besnijdenisbenodigdheden alvast opgesteld: een nepleren eetstoel – de stoel van Elijah – waarop het ritueel zou plaatsvinden, met links daarnaast op een klaptafeltje een scalpel, een EHBO-kit, een fles wijn, een glas en wat Hebreeuwse teksten.

De baby, exact acht dagen oud, huilde al een beetje toen hij de trap af werd gedragen. Naast me begon een Spaanse mevrouw te vertellen over de bris van haar eigen zoon, hoe mooi dat was geweest. Hij zat nu op Princeton, snaartheorie, theoretische natuurkunde. In haar hand hield ze alvast een Kleenex paraat.

Omdat alle ogen op de baby waren gericht, keek niemand naar de dokter, die zwetend van de zenuwen achter de moeder en de baby naar binnen liep. Texas staat niet bepaald bekend om zijn grote Joodse gemeenschap, en na lang zoeken had professor S. uiteindelijk niet in Austin, maar helemaal in Dallas een arts gevonden die formeel aan alle voorwaarden voldeed. Een gynaecoloog, hoorde ik achteraf.

Een gynaecoloog verricht een joodse besnijdenis in Texas. Het klinkt als het begin van een mop, maar dat was het niet.

Normaal gesproken is de handeling zelf een fluitje van een cent, een kwestie van een paar seconden. Eén soepele beweging van het mes, en klaar. Deze bris duurde minuten. Meerdere, tergend trage minuten in een steeds pijnlijkere stilte, op het aanzwellende gekrijs van de baby na. De gynaecoloog stopte halverwege zelfs even om op adem te komen, en begon vervolgens in tegenovergestelde richting te snijden, alsof hij in die korte pauze had besloten dat het helemaal anders moest.

Direct na afloop van de fysieke besnijdenis klonk aan de zijkant van de kamer een doffe dreun. Een Aziatische student, die vanuit zijn hoek vol zicht had gehad op de ingreep, was flauwgevallen en lag lijkbleek tegen de dubbele beglazing. ‘Typical’, flapte ik eruit. Dat was misschien ongepast, maar het bracht de gesprekken wel weer op gang.

Achteraf hoorde ik van de aangeslagen schoonmoeder van professor S. dat haar kleinzoon, die voortaan D. genoemd zou worden, onder de handen van de gynaecoloog ‘onnodig heeft moeten lijden’. Ze kuste een laatste babytraantje weg uit zijn ooghoek. Gelukkig heeft hij er straks geen weet meer van, dacht ik. Hij niet, maar wij wel. De ouders, schoonfamilie, vrienden en overige genodigden, wij dragen deze bris voor de rest van ons leven met ons mee.

_________________

* De getallen 1 tot en met 100.000.000.000 (honderd miljard) zijn helemaal doorgerekend, maar dat verandert niets aan het onderliggende probleem. De Collatz Conjecture kan alleen opgelost worden met behulp van redenering.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Op zijn negende – dus bij zijn volle bewustzijn – werd hij om medische redenen zelf besneden. Die bris voltrok zich destijds in het Zaans Medisch Centrum onder plaatselijke verdoving.

Reageer >
 

Warschau verkeerd begrepen

30 maart 2017 (8:00) | Menno Hartman | Geen reacties

NOWELA

Toen ze aan de generaal Branickatram haar voet was kwijtgeraakt,
was haar tuin in het midden van de werf verruïneerd.
Een deel was met gaas bedekt, zoals de voile die de weduwe verbergt;
uitgegroeid tot netten met stengels en troep.
Op een houten tafel een spoor van zwarte speelkaarten,
op het grindpad een muis.

Ik herinner me de nobele Branicka van daarvoor,
in de jurk van eeuwen,  het zilveren helium van haar haar.
Ze pakte van de vloer een breekbaar kopje,
Zilveren parels, botercakejes, en in een pose van een portret van Maria Ludwika
wachtte ze op haar drie oude mannen.

Ze had er onmiskenbaar drie – die van de Desa-winkels, die van de dansschool
en die van het pension.
Ze droegen grote grote zwart glooiende hoeden
als in korsetten vervat, waarvan de baleinen kraakten.

‘Ce sont des Vieilles’ dacht ik in het Frans,
en op zijn Frans dronken zij slappe koffie en lachten op zijn Frans,
Als piepende, klein wedstrijdjes vlogen
slaperig bijen uit en grote vlinders en er was veel gepraat,
om die andere geluiden niet te horen.

Toen ze aan de generaal Branickatram haar voet was kwijtgeraakt,

naar het gerucht ging door dikdoenerij, de eerste bij het borduren
een naald at, de tweede zich verslikte in een rozenkrans, maar onsterfelijk bleek,
en de derde werd niet gevonden.

Ik kijk naar de puinhopen van de werf op de binnenplaats,
ik denk aan een afzonderlijke voet, een vrouw,

Wind op mijn borst, een beetje regen in mijn gezicht
het is tijd in de oven te verbranden.

Een paar weken terug was ik in Warschau. Toen ik ‘s avonds een rondje liep stuitte ik op een plaquette met een gedicht van Stanisław Antoni Grochowia (1934 – 1976) , een woeste dichter die op 42 jarige leeftijd in Warschau stierf.

Het centrum van Wenen werd na de Oorlog herbouwd, deels door goed te kijken naar schilderijen die Canaletto in de 18e eeuw maakte...

Het centrum van Warschau werd na de Oorlog herbouwd, deels door goed te kijken naar schilderijen die Canaletto in de 18e eeuw maakte…

Elk nieuw land, elke nieuwe stad is een gedicht dat je met zeer beperkte middelen tracht te vertalen tot iets wat in het geheel niet klopt. In bovenstaand geval een compilatie van wat google translate in vier talen met het gedicht doet. Het klopt niet, maar het klopt wel. Het geeft althans nu in deze verminkte vorm heel goed weer wat ik in korte tijd van Warschau heb begrepen. Weinig en van alles dus.

Het is een beeld van een stad waarvan je in de gidsen kunt lezen hoe vaak en hoe grondig zij verwoest is.

(ps voor wie echt wil weten hoe het gedicht gaat – en voor wie een beetje Pools kent – wordt het op deze pagina geciteerd, en: lees je echt Pools? Ik wil dolgraag weten wat er staat!)

—————————–

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Leest nu Adam Zamoyski Poland, a History

Bewaren

Bewaren

Reageer >
 

Boekenbal

29 maart 2017 (9:59) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_3489Afgelopen vrijdag was ik voor het eerst op het Boekenbal. Sinds mijn debuut in 2011 uitkwam mocht ik vijf keer mee (nooit op eigen naam, natuurlijk) waarvan ik er dus slechts één verzilverd heb.

Hoewel de redenen die ik opgaf voor het niet-kunnen uiteenliepen kwam het er in de kern steeds op neer dat ik dacht niet op een boekenbal thuis te horen. Ik waande me een outsider.

Toen Emmelie van publiciteit me afgelopen maandag appte dat er een kaartje voor me was zei ik onmiddellijk dat ik mee zou gaan. Ik zette het Boekenbal in de agenda en ging verder met het lezen van de krant.

Pas toen ik merkte al een aantal bladzijden niets meer van het nieuws te hebben opgenomen vroeg ik me af waarom ik nu zo zonder zonder twijfel ja had kunnen zeggen.

Lag de grens bij drie boeken? Was ik per 2017 eindelijk ook in mijn eigen ogen schrijver?

Ik geloof dat iedereen bij zijn debuut de hoop koestert in één knal naar de sterren door te schieten, met vertalingen in meerdere landen, verfilmingen en eindeloze interviews. Laat ik voor mezelf spreken: ik droomde ervan en mijn droom kwam niet uit.

Het schrijverschap bleek ploeteren voor weinig beloning en erkenning. Ontevredenheid ligt altijd op de loer; zelfs auteurs die in mijn ogen heel succesvol zijn vinden hun verkoop en het aantal prijzen dat ze winnen meestal tegenvallen.

Dubbel aan dit vak is ook dat we gezien willen worden voor werk dat we in het donker maken. De schrijver speelt na het afleveren van zijn product geen rol meer, als een draagmoeder die in ruil voor een handje munten afstand doet van haar baby*.

Het werd vrijdag. Om negen uur sloot ik aan bij Wytske Versteeg, ergens halverwege de rij die zich uitstrekte van de ingang van het Vondelpark tot aan de Paradiso. We praatten het over haar Tiradeblog van een aantal jaar geleden, waarin ze aansneed dat schrijvers kijkers zijn, en daarom altijd op een afstand van de wereld staan.

Er waren veel bekenden. Iedereen zag er mooi uit en was aardig. Ik groette een recensent die ook schrijver is en vergaf hem (in mijn hoofd) een vergissing die hij maakte bij het bespreken van mijn eerste boek.

Naar verluidt heb ik later die avond meerdere mensen gedwongen een kopstoot met me te drinken. Ik herinner me dat ik de meer wollige schrijvers die ik tegenkwam geknuffeld heb. Wat ik boven alles meenam van mijn eerste Boekenbal (tot de afterparty die ik ondanks het knalrode polsbandje dat iemand me omdeed niet heb kunnen vinden) is dat we allemaal outsiders zijn.

Volgend jaar graag weer.

 

*Nu zijn er natuurlijk schrijvers wier persoon zichtbaarder is dan hun werk, maar weinig roept bij collega’s meer irritatie op.

____________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Mooi zijn

27 maart 2017 (8:00) | Roos van Rijswijk | Geen reacties

Anthony's_photographic_bulletin_for_(1896)_(14781544992)‘Ik heb het idee,’ zei ik tegen I., ‘dat mensen nu voor me opzijgaan in plaats van dat ze door me heen proberen te lopen.’

Mijn jas flapperde perfect in een lentebries en later op de avond zou iemand aan me vragen of ik iets met m’n haar had gedaan, mijn eerlijke antwoord zou zijn dat ik het geborsteld had. Naast me liep I. met een glanzend baardje en een heel mooi pak aan. Mijn schoenen tikten op de stoep en mijn lippen waren rood.

In een winkel noemde iemand me ‘u’, ik had het idee dat dit net iets eerbiediger dan normaal gebeurde.

‘Lekker hè,’ zei I.

‘Misschien moeten we gewoon eens per week zo een rondje door de stad lopen,’ vulde ik aan.

We dronken koffie op een parkbankje en vonden onszelf tegelijkertijd geweldig en verschrikkelijk. Daklozenkrantverkopers probeerden het niet eens en niemand vroeg ons om een sigaret of een euro.

‘Sowieso,’ zei ik, nadat we deze conclusie hadden getrokken, ‘ik heb alleen een briefje van vijftig bij me.’

We zagen er – sorry – echt heel goed uit. Tegelijkertijd wisten we dat er mensen zijn die er altijd zo bij lopen, dat wij onszelf nu helemaal fancy vonden terwijl sommige mannen dagelijks in een Suit Supply’tje rondbenen en er vrouwen bestaan die elke dag hun haar borstelen.

‘Pardon,’ zei een vrouw die niet eens bijna tegen me aanliep; ze had perfect peroxidehaar, een klein hondje op haar arm en een jas aan waar ik een halfjaar huur van zou kunnen betalen.

‘Het is je vergeven,’ wilde ik zeggen, ‘ga in vrede,’ maar dat deed ik toch maar niet.

Het Boekenbal, waar ik me zo op verheugd had dat het gênant werd, was warm en kleverig. Er was een levende slang die mensen om hun nek konden hangen en daar werd ik spontaan nogal dierenactivistisch van (wat de fuk, CPNB). Er waren wel veel mensen waarvan het fijn is om ze te zien en voor we voortijdig naar een café vertrokken kreeg ik een aantal van die mensen zo ver dat ze heliumballonnen leegzogen, iets wat ieder feest sowieso naar een hoger niveau tilt.

De volgende dag had ik geen kater doordat ik (ondanks mezelf) niet zoveel had gezopen. Wel ontzettende spierpijn. Raar: ik had niet gedanst, zelfs niet eventjes in een kroonluchter gezwaaid. ’s Middags liep ik in een spijkerbroek en een rommelige jas over straat en wist ik ineens waar de pijn vandaan kwam: zo rechtop als in mijn mooie pakje loop ik nooit. Wat een aansteller ben ik, dacht ik. Daarna werd ik, gelukkig maar, gewoon omvergelopen door een voorbijganger. Verschil moet er wezen.

—-

roos-van-rijswijk-foto-irwan-droog-kleinRoos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Reageer >
 

Inwijding

26 maart 2017 (7:10) | Alex Philippa | Geen reacties

In 2015 was elke maand een ander performance piece van Tino Sehgal in het Stedelijk Museum Amsterdam te beleven. Je werd als bezoeker aan de hand genomen voor een paar goede gesprekken, onderdeel van een dansende menigte of keek hoe een digitaal lokmeisje uit het scherm stapte en jou in vlees en bloed benaderde. Het hoogtepunt was de intiemste van de pieces, het stuk geheten Kiss

Er werden in twee maanden twee verschillende versies van de kus uitgevoerd. De eerste behelsde twee personen die midden in een zaal innig verstrengeld een langzame dans van zitten, liggen en opstaan uitvoerden. Het werkte meditatief door de rust en controle die uit de personen sprak.

De tweede versie was daarentegen alles behalve meditatief. Om deze versie te kunnen beleven, moest je een verduisterde zaal binnenlopen. Na verloop van tijd, als je ogen zich aan de duisternis begonnen te gewennen, ontwaarde je de silhouetten van de andere bezoekers. Die stonden samen rond één punt in de zaal. Als je je daartussen wurmde, bereikte je de tweede Kiss. Om ze te zien moest je bijna op ze gaan staan, maar het viel meteen op dat deze verstrengeling zonder kleding plaats had.

De verbazing en schok die gepaard gaan bij het uitgelokte voyeurisme, slaan al snel om in opwinding. In de duisternis voel je de onthulling van een geheim en voel je je verbonden met de niet zichtbare onbekenden om je heen. Het zien van de geliefden is verboden, maar de witte, kronkelende lichamen prikkelen de kijker om het gade te blijven slaan. Kiss was een heimelijke inwijding in de liefde, gewoon in een Amsterdams museum, omringd door onbekende dagjesmensen, toeristen, studenten, kunstliefhebbers.

Het opschrijven van het relaas over een kunstwerk dat draait om geheim, taboe en inwijding, voelt als een schennis van die inwijding.

Heimelijke inwijdingen scheppen verbondenheid, een gevoel van intieme collectiviteit. In Donna Tartts The Secret History komt de verteller, zelf van simpele komaf, tijdens zijn studie terecht in een snobistisch en gesloten clubje van studenten klassieke talen. De lezer krijgt door het meelezen het gevoel ook tot de ingewijden te behoren, terwijl langzaam maar zeker de detective-verhaallijn wordt ontsponnen, waarin de donkere kanten van een gesloten groep van ingewijden naar voren komen.

Als student klassieke talen herkende ik enige parallellen met Tartts vertelling. De dynamiek van een afgezonderde groep vakidioten voelde heel vertrouwd, zeker voor iemand die net van de middelbare school af een nieuw gezelschap zoekt om zich aan te binden. Je kunt je onderdompelen in één groep en je identiteit daaraan ontlenen.

Een onderscheidend aspect van literatuur en poëzie is de inwijding die elk werk vereist. Het is een van de redenen waarom schrijfsels zo’n elitair karakter hebben. Om door te dringen tot een roman of dichtbundel, zal je je de taal eigen moeten maken, je verplaatsen in de vertelling, reflecteren op de gedachten. Zodra je je die geheime taal eigen hebt gemaakt, voel je je onderdeel van een nieuw, klein universum. Je unieke identiteit als lezer wordt gevormd met elk werk dat je tot je neemt, en degenen die kunnen delen in hetzelfde geheim zijn je geestesbroeders.

De directe, lichamelijke magie van Kiss vervloog zodra je de verduisterde zaal uitliep en je ogen prikten in het zonlicht. Maar de ervaring van inwijding draag je mee, vormt een onderdeel van jezelf. Buiten het museum viel je het besef in: ik heb iets gezien en ervaren wat voorbehouden is aan de happy few. Bij ieder uitgelezen boek of gedicht voel je eenzelfde persoonlijk plezier.

ProfielfotoAlex Philippa (1994) studeert klassieke talen en wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam en is hoofdredacteur bij defusie.net.

Reageer >
 

Voor de gasten

25 maart 2017 (10:43) | Arjen van Lith | Geen reacties

tegels keuken

Vroeger lagen al mijn geheimen handig bij elkaar, in één simpele beweging mee te graaien als de nood aan de man was. Wanneer je de scheepslade onder mijn bed verder dan dicht doorduwde tot ‘ie de muur raakte, ontstond achterin een kleine opening, een sleuf van hooguit vijftien centimeter waar alles wat privé was doorheen paste.

Spaargeld, aangezuiverd met een biljet van één miljoen gulden met Willem de Zwijger erop en waarvan mijn moeder zei dat het nep was, een setje oorbellen, gejat van mijn zus, Man Alive Dressing the Free Way*, en – vraag me niks – mijn melktanden in een doosje; alles gebundeld in een gebruikte handdoek, klaar om te vluchten. Een andere optie was om het hele pakket uit het raam te gooien en zelf op m’n kamer te blijven tot de kust weer veilig was.

Sinds ik begin deze maand ons Amsterdamse appartement op Airbnb heb gezet, denk ik veel na over de handzaamheid van kindergeheimen en over hoe het allemaal zo ver heeft kunnen komen. De hele studeerkamer, het enige afsluitbare vertrek binnen het huis, staat tot aan de nok toe volgestouwd met persoonlijke spullen.

Om mijn gasten niet onnodig te choqueren, heb mijn huis zoveel mogelijk ontgayed. Mijn verzameling Butt Magazines, normaal gesproken prominent op de salontafel: onderin een verhuisdoos. De kalender met het blote broertje van vriendin B. op een racefiets: omgekeerd in een la. Mijn sport- en onderbroekencollectie: achter slot en grendel. Uit de badkamer heb ik elke tube, elk pompje met ook maar de minste wrijvingsverzachtende inhoud preventief geruimd. Niets zichtbaars kan de tere heteroziel nog schaden, al ben ik er te laat achter gekomen dat ik de gootsteenonstopper op de badrand heb laten staan. Daar baal ik van.

Op sommige plekken zit de mannenliefde letterlijk ingemetseld in ons appartement. Zesendertig op tegels geglazuurde filmframes uit The Perfect Human** – anderhalve seconde het perfecte jongensachterhoofd met een hand in de nek en blote schouders onder een wit hemdje – beslaan de spatwand in de keuken.*** Boven het bed in de slaapkamer hangt een wandvullende, tot volledige abstractie gepixelde homoseksafbeelding die je alleen kunt onderscheiden wanneer je buiten vanaf de bushalte door het raam naar binnen kijkt of als je je lenzen uitdoet. Die heb ik toch laten hangen. Dat is kunst.

Nooit eerder heb ik door de ogen van een hetero naar mijn eigen woning gekeken. Hoeveel ik ook ontruim; mijn geaardheid heeft zich in alle hoeken en kieren genesteld. Dit weekend zijn de eerste gasten gearriveerd, een jonge Fransman en zijn vriendin. Net stel, ruimdenkend, schat ik. De recensie moet nog komen, maar misschien hebben ze vanwege alle onvermijdelijke exotische invloeden wel een paar extra spannende nachten in dat grote roze homobed. Ik hoop het. En dat ze onderzetters gebruiken op de eettafel, anders krijg je kringen.

_____________________

* Charles Hicks, Simon & Schuster, 1984. Elders – ik weet niet meer precies waar – heb ik eerder vermeld dat met name het hoofdstuk Swimwear me destijds mateloos opwond. Bij gebrek aan herenporno bestond mijn nachtliteratuur verder uit een verrassend homo-erotische mangastrip die ik voor mijn verjaardag had gekregen en Lieve jongens van Gerard Reve (Polak & Van Gennep, 1973).

** Jørgen Leth, 1967. Eigenlijk zijn de afbeeldingen op de tegels afkomstig uit The Five Obstructions (2003), waarin Lars von Trier aan Leth opdraagt The Perfect Human vijf keer opnieuw te maken volgens zeer strenge richtlijnen, door Von Trier zelf opgelegd. De tegels zijn stills uit de cartoonversie.

*** Zie foto.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

William Eggleston – net naast het midden

23 maart 2017 (8:57) | Menno Hartman | Geen reacties

William Eggleston, En Route to New Orleans, 1971–1974, from the series Los Alamos, 1965–1974 © Eggleston Artistic Trust 2004 / Courtesy David Zwirner, New York/London

William Eggleston, En Route to New Orleans, 1971–1974, from the series Los Alamos, 1965–1974 © Eggleston Artistic Trust 2004 / Courtesy David Zwirner, New York/London

Wat zien we hier? Het is een foto die bijna iedereen wel eens gemaakt heeft. Een vliegtuigraam op een heldere dag, een drankje in een glas, de zon die door het gekleurde drankje valt op het tafeltje. Al is de laatste keer dat ik iets in een glas kreeg in een vliegtuig in ’92 geweest.

Deze foto is van William Eggleston, een mooi overzicht van zijn serie Los Alamos hangt nu en tot 7 juni in Foam.

Eggleston was een van de vroege fotografen die gebruik van kleur losmaakte uit de reclamefotografie en in kunstfotografie gebruikte. Tot die tijd was zwart-wit meer usance in artistieke fotografie. Eggleton maakte dan ook nog foto’s van dingen die je elke dag ziet. Wat maakt de foto’s die hij schoot tijdens  verschillende roadtrips door de zuidelijke staten van Amerika dan zo bijzonder?

Twee heel voor de hand liggende dingen: kleurgebruik en compositie. Zaken waarmee je ook schilderijen definieert.

Hoe komt het toch dat ik bijna geen genoeg kan krijgen van naar goede foto’s of schilderijen kijken? Waarom staat een mens in hemelsnaam graag voor een rechthoekig tweedimensionaal vlak? Wat doet de compositie van een foto in je hoofd? Behalve het bewuste ‘waarom werkt dit’ moet er ook een onbewust appreciatie zijn van dat een verdeling van vlakken goed is. Iets waardoor je favorieten hebt: Fernand Léger, Paul Cézanne, Kazimir Malevich.

Eggleton heeft een subtiele compositie, vaak frontaal, altijd een uitsnede die net onverwacht is, geen opgedrongen betekenis, maar inderdaad Cézanneske vlakverdeling. Zijn neiging anders dan op de gulden snede te accentueren valt me op: vaak net buiten het midden.

Wat zie ik hier? Ik zie een bekend plaatje dat door aandacht en techniek boven zijn alledaagsheid verheven is, en uitnodigt tot nadenken over zijn waarom en wat het zou kunnen betekenen, waarmee het vanzelf iets gaat betekenen. Ik zie iets wat iemand zag, waardoor hij en ik verbonden zijn. En tegelijk zoek ik houvast in elke vierkante centimeter.

——————————–

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Schreef onder meer hier eerder over fotografie.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017
 
Nr.466
 
bestel
 
 
voorpagina