Dit boek ken je niet en is geweldig

8 november 2019 (10:18) | Menno Hartman | Geen reacties

Er-stroomt-een-rivier-doorheen-637x1024Vorig jaar in juli stond ik in Powell’s Bookshop in Portland, Oregon. Van Amerikaanse boekwinkels word je buitengemeen vrolijk. Vanwege het feit dat dat er in zo’n staat – maatje Frankrijk – vast heel weinig boekhandels zijn, is wat er wél is ook fantastisch. Verdieping op verdieping, en bij literatuur vond ik alles wat ik wilde zien en in handen houden. Buiten een van de hipste steden in Amerika, daar weer buiten, veel en wilde natuur.

Ik zocht een paar mooie drukken van Norman Macleans A River Runs Through it, over wilde natuur gesproken. Drie steengoede lange verhalen die hoogleraar literatuur Maclean op zijn 70e schreef, hij debuteerde ermee. Ze spelen langs een rivier bij het vliegvissen, in bosbouwkampementen en bij de brandbestrijding, alle in Montana.

Ik ben heel blij dat wij dit boek – in een vertaling van Dirk-Jan Arensman – nu hebben uitgegeven. Het prachtige omslag is ontworpen (en getekend) door Lotte Dirks. ‘In gelijke mate een vissershandboek, een literair meesterwerk en spirituele gids’ – The New York Times hebben we op de achterflap gezet, want zo is het. En we namen een begeleidend essay van Paolo Cognetti op, vertaald door Patty Krone en Yond Boeke.

Een wijs en rijk boek.  Ik raad je van harte aan het een kans te geven.

 

 

IMG_6285

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot. En vindt dat op dit blog hij heel soms schaamteloos reclame mag maken voor boeken van Van Oorschot.

 

Reageer >
 

Te paard

6 november 2019 (9:47) | Gilles van der Loo | Geen reacties

22215276-0407-4a78-a33c-491e735977a2Het was Nadims verjaardag en op verjaardagen van kinderen brengen ouders offers.

De hobby’s van mijn zoon waar ik niets mee heb raken me het meest omdat daarin zijn persoon te zien is: ik leer hem kennen als hij onaangestuurde keuzes maakt.

Nadim wilde met ons paardrijden en dus gingen we. Nu heb ik hier al eens uitgeweid over mijn gevoelens voor paarden en het onzalige idee op die dingen te gaan zitten. Een wezen met de schichtigheid van een konijn en het gewicht van een orka is per definitie een slecht wezen om te berijden.

Mijn hekel begon op jonge leeftijd, bij een pony die Diamond heette en die de kunst verstond kinderen met een ferme ruk van de kop (niet het hoofd, nooit het hoofd. Ze hebben ook geen benen, maar poten) in het manege-zand te slingeren. Diamond zette voor mij altijd een tandje bij door vervolgens een zegeronde door de bak te draven met mijn zesjarige zelf schreeuwend langszij.

‘Lóslaten die teugels,’ riepen alle moeders van de kant. Maar ik liet níks los. Ze konden de tering krijgen. Toen het stof voor de achtste keer in één week was neergedaald en mijn tranen en snot waren weggeveegd, gaf ik er de brui aan.

Een paar jaar geleden zat ik nog eens op een knol, die er met me vandoor draafde in een bos vol laaghangende takken. Mijn schoonzus vertelt dit verhaal graag omdat het de enige keer is dat ze ooit paniek in mijn ogen zag.

Nadim wilde dus paardrijden, mijn schoonzus ging ook mee. Ik zou me niet laten kisten.

Ik kreeg een trage knol en het lukte te blijven zitten. We reden naar zee en draafden langs de vloedlijn. Het was machtig mooi en mijn zoontje straalde. Af en toe reed ik met mijn schoonzus op en maakte het gebaar dat we liefdevol voor elkaar reserveren. Een soort omgekeerde vuist waarvan de middelvinger opgestoken is.

Het moment om te galopperen liet ik voorbijgaan, maar ik kreeg spijt toen ik mijn familie zag gáán op die beesten. Sommige waren gevlekt als mustangs, wat samen met de aanwezigheid van zeewater mijn hele orka-ding op een andere plek deed vallen. We reden weer naar de stal en ik stapte meurend naar paardenzweet af.

In de auto terug naar huis was mijn schoonzus stil. Ik groette tegenliggers en liet andere weggebruikers voorgaan, onderwijl prettige gedachten denkend. Na een tijdje zocht ik het gezichtje van mijn jongen in de achteruitkijkspiegel.

‘Vond je het mooi, man?’

‘Het was gewéldig,’ zei hij, nagloeiend van de rit.

‘Ja,’ zei ik. Misschien was het tijd om Diamond te vergeven. ‘Dat was het.’

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Meester van het heelal

4 november 2019 (8:54) | Berthe Spoelstra | Geen reacties

11 volle maan (1)

Laurent Binet zei in een interview dat hij de wereld wilde lezen als een boek.

Hij schreef De zevende functie van taal, een detectiveroman over taalwetenschapper Roland Barthes, die op 25 februari 1980 in Parijs overhoop werd gereden door een bestelbusje. In het magische universum van Binet blijkt dit moord. En hoe meer doden er vallen, hoe duidelijker het wordt dat Barthes een zevende functie van taal heeft ontdekt.

De theorie van de zes functies van taal is afkomstig van Roman Jakobson, maar Binet laat Barthes vlak voor zijn dood een zevende functie vinden. De precieze inhoud van deze zelfverzonnen functie onthult Binet niet. Hij suggereert alleen dat het een krachtige toverformule is die aanzet tot daden. Wanneer woorden en daden hetzelfde kunnen zijn, heeft degene die over dergelijke woorden beschikt ongekende macht, dat is het uitgangspunt. Dus proberen politici en malafide linguïsten Barthes’ document in handen te krijgen, want ‘wie de taal beheerst is meester van het heelal’.

Maar ik las ook iets anders. Niet alleen de taal is oppermachtig in dit boek. Ik kreeg de indruk dat de geheime formule veel breder is. Binet laat zijn personages namelijk niet alleen de taal interpreteren, maar ook al het andere. Juist wat niet gezegd is, wordt ‘gelezen’. Ook wat niet bedoeld is, wordt geïnterpreteerd. Dat besef voelde als een klompje goud. Ik lag er wakker van.

Ook ik lees de wereld als een boek, nee als een theaterstuk. En in het theater zijn juist de non-verbale tekens oppermachtig. Dat wat achter de woorden wordt verborgen, daarin schuilt de kracht. Om betekenis te kunnen ‘lezen’ kan, mag, moet ieder detail worden geïnterpreteerd. Natuurlijk zit ik er in het echte leven heel vaak naast. Maar de poging tot interpretatie is voor mij het leven zelf. Voor mijn geliefde is dit af en toe best lastig, dat geef ik toe. Veel mensen bedoelen namelijk met veel dingen helemaal niks. Die dingen zouden niet moeten worden geïnterpreteerd, die zijn er gewoon.

Of niet?

De klok moest worden teruggezet. Precies om drie uur stond ik in een slapend huis, een stille straat, een zwijgend universum en gaf mezelf een extra uur. De wereld lezen als een boek, ja ja. Ik nam een slok water en kroop terug in bed.

Telkens opnieuw beet ik mijzelf in halfslaap in mijn staart. Binet suggereert dat de zevende functie van taal op de grens van de poëtische en de appelatieve functie ligt. Dus dat is zoiets als een fraai geformuleerd bevel. Was dat nou zo verontrustend? Waar was mijn klompje goud?

Stel, de échte macht zit in alle functies samen, het idee dat alles opgeteld moet zijn. En niet alleen de woorden lezen, maar ook de zuchten, de wapperende handen, de kleur van iemands onderbroek. Dat is macht. De meester leest alles wat bedoeld én onbedoeld is en beheerst dat omgekeerd zelf ook, overgoten met een saus van poëzie en overredingskracht.

Best vermoeiend allemaal.

Nog voor het extra uur voorbij was viel ik in een diepe slaap.

foto: Bas de Brouwer

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

 

 

 

Reageer >
 

Die leeftijd

29 oktober 2019 (22:58) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_2770Het huis in Normandië waar we de afgelopen vakantie voor de tweede keer waren maakt deel uit van een klein boerendorp dat doorsneden wordt door een smalle landweg.

Vanaf het huis is het een minuutje lopen naar een weiland waar een zoet paard en een bejaarde ezel staan. Vorig jaar sloot Nadim vriendschap met de beide hoefdieren en hij was niet bij hun graslandje weg te slaan. In de aanloop naar deze vakantie had onze jongen het veel over zijn vrienden.

In de auto, op de heenweg, was Nadim gespannen. Hij hoopte vurig dat het paard en de ezel er nog zouden zijn. Het eerste wat hij bij aankomst deed was met zijn oma naar de dieren gaan. Ik laadde koffers uit en hield mijn hart vast. Tenslotte was dit boerenland, en nutteloze dieren werden hier als nutteloos gezien.

Na een minuut of tien klonken zijn laarzen op het grind.

‘Pap! Mam! Ze zijn er nog. Zwartje en Anubis, en ze herkenden me meteen.’

Zo gauw ik kon ging ik met hem mee om naar de vrienden te kijken, en inderdaad: ze liepen met hem op, drukten hun grote neuzen tegen dat dunne lijf onder die donsjas. Een paar keer per dag zou hij met appels op bezoek gaan.

De laatste dag kwam zoals laatste dagen komen, en voor we naar die lange snelweg terugkeerden, gingen we nog even langs.

Nadim was stil, bedrukt. Ik maakte een foto van de vrienden, laadde mijn jongen weer in. Na een paar meter begon het snikken achter me.

B. vroeg wat er was en Nadim antwoordde dat hij het zo erg vond niet zeker te weten of hij zijn vrienden nog zou zien.

De boer had ons verteld dat het paard negen was, de ezel drieëntwintig. Een van onze katten is onlangs overleden.

Hoewel hij eindigheid als concept al begreep, leek eindigheid als emotioneel verlies, als onomkeerbaar missen tot die dag niet tot Nadim doorgedrongen.

Bij thuiskomst liet het hem niet los. Hij riep ons bij zich in zijn bed en kon niet ophouden met huilen.

‘Je zult het zien,’ zeiden we. ‘Volgend jaar zijn ze er nog.’ Daarna zeiden we: ‘Maar als dat niet zo is dan hoort dat er ook bij. Je moet bedenken hoe fijn het is dat je ze hebt leren kennen.’

Het was geen leugen, maar we wisten wel hoe weinig het zou helpen als die dag er kwam. Wij kenden het verlies al, wilden er niet over liegen, maar moesten toch íéts zeggen omdat we zijn ouders zijn. Ouders moeten overal iets op te zeggen hebben.

Wij zijn de wereld en die wereld klopt.

Wanneer stoppen we met antwoord hebben? Wanneer kunnen we ons kind als gelijke zien en samen zwijgen omdat er geen antwoord ís?

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Discorderen en coöpponeren

28 oktober 2019 (14:51) | Berthe Spoelstra | 2 reacties

10 Yeats (1)‘Waarom moet er altijd iemand dood?’ vraagt Leonard in de film The Hours (2002, regie Stephen Daldry, script David Hare). In jouw boeken, bedoelt hij. Virginia Woolf antwoordt: ‘Someone has to die in order that the rest of us should value life more. It’s contrast’.

William Butler Yeats schreef deze prachtige zin in Per Amica Silentia Lunae (1918, p29):

We make out of the quarrel with others, rhetoric,

but of the quarrel with ourselves, poetry

Yeats zou volgens Prof. Dr. Hedwig Schwall zelfs ooit gezegd hebben: ‘Conflict! We hebben nood aan conflict!’ Met die woorden zou hij vooral zijn verhouding met een veel jongere vrouw hebben willen rechtvaardigen, maar daar gaat het nu even niet om.

De Ierse Yeats (1865-1939) produceerde retorica uit onenigheid met anderen. Hij zette zijn schrijven nadrukkelijk in om zijn land te helpen bevrijden van de Britse overheersing. Maar toen er een dode viel bij een verzet dat mede door hem werd georganiseerd, trok hij zich terug. Onenigheid mocht wat hem betreft niet leiden tot een fysiek conflict. Dan liever een teruggetrokken bestaan vol eenzame gewetensnood, maar met poëzie. Wat zou Yeats van de huidige Ierse backstop hebben gevonden? Maar ook daar gaat het nu even niet over.

Of misschien wel. Polarisatie, daar ging mijn gedachte over. Het is moeilijk om het op een wellevende manier met elkaar oneens te zijn. In het Britse Lagerhuis doen ze een dappere poging. Ik heb wel eens gedacht dat in Nederland de nuance uit de (politieke) retoriek is gesloopt sinds de slogan ‘Normaal Doen’. We hebben taal nodig om het met elkaar oneens te zijn. Ligt er taalkundig nog iets tussen ‘normaal’ en ‘niet normaal’?

Terwijl ik door Yeats’ werk blader bedenk ik me dat destijds niet de strijd minder fel was, maar misschien waren wel de woorden zachter en zoekender. Heeft inmiddels het woord ‘conflict’ simpelweg de plaats ingenomen van het woord ‘contrast’? Dan slaan we gewoon de aanloopfase van een conflict over. Dan is een contrast of onenigheid meteen een conflict, meteen vlam in de pan. Wat we niet kunnen benoemen, bestaat niet.

Kunnen we uit onenigheid weer retorica, nee poëzie maken? Het lijkt me een goede tijd om woorden als ‘twisten’ en ‘discorderen’ te herwaarderen. Of we verzinnen nieuwe woorden voor het actief en constructief uitwisselen van verschillen. Copolariseren? Tegenhangen, tweedrachten, coöpponeren? Mijn spellingscontrole slaat meteen op hol. Jammer.

Suggesties welkom.

 

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

foto: Bas de Brouwer

2 reacties >
 

Een extreem tevreden hond

23 oktober 2019 (9:26) | Gilles van der Loo | Geen reacties

0b6056ee-210c-4d25-907f-ab497ca8b2dbMet flink wat familie zijn we in Normandië, en mijn enige leesvoer is een mooie editie van de korte verhalen van Hemingway. Ik heb niets anders te lezen omdat de meneer van de telefoonwinkel op de Haarlemmerstraat mijn ereader nét niet op tijd gerepareerd kreeg.

Elizabeth Strout heeft een nieuw boek over Olive Kitteridge uit, maar zoals ik al zei: technische problemen.

Andere technische problemen zorgen ervoor dat ik dit blog in Word tik om het later, bij het minste flikkerende flardje netwerk online te kunnen zetten. Mijn werktelefoon staat doorgeschakeld naar mijn mobiel, die nooit overgaat vanwege datzelfde gebrek aan netwerk. Ik zou vloeken als falende techniek niet zo voorspelbaar was.

Louis C.K. zei over vliegen: ‘We whine when our flight is delayed by half an hour, but we get to be in a chair moving through the air. What’s half an hour, when you can fly?’

Niet aan mij om te besluiten, maar kunnen we Louis C.K. gratie verlenen? In mijn jeugd wist iedereen wie de vieze man in de straat was; bij hem mocht je ongestraft belletje trekken en hondenkak over de schutting gooien, maar verbannen werd hij niet. Als er op je neergekeken wordt, word je nog steeds gezien.

Ik hoor dat Louis weer stand up doet. Wat een lef. We kunnen die man ten goede gebruiken, écht.

Gisteren groef Otis de Hond een kuil op het strand. Omdat er geen reden was om door te lopen kregen we te zien hoe diep hij gaan kan.

Na een kwartiertje tilden we een extreem tevreden hond terug het daglicht in.

Tevreden lijken ook mijn huisgenoten, al slaapt vrijwel niemand goed vanwege hun of andermans leeftijd, onrustige honden of de kwaliteit van de matrassen hier. Over uitrusten op een vakantie met kinderen maak ik me ook geen illusies meer.

Vakantie is tegenwoordig weinig anders dan een periode waarin de leden van mijn gezin tegelijkertijd vrij zijn.

Servigny is niet het mooiste dorp van Frankrijk, maar het heeft een stokoud kerkje van gestapeld steen en een aantal even oude huizen. Het ligt op een heuvel met grasland rondom; de aanhoudende westenwind draagt zeezout aan.

Door de uitstraling van de nabije zee is het licht soms pijnlijk fel, wat het moeilijk maakt je ochtendwrevel vast te houden. Maar dat geldt pas als de zon op is, en zoals je misschien geraden hebt, duurt dat nog wel even.

Van Hemingway heb ik nog geen bladzijde gelezen.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Omdat het mooi herfstweer was

21 oktober 2019 (16:18) | Berthe Spoelstra | Geen reacties

All-focusbesloot ik een wandeling te maken. Een van mijn favoriete routes voert over een kerkhof.  Dit keer nam ik de buitenring, langs het crematorium via de strooilanen en het kinderhof. Achteraan is braakliggend terrein. Stapels stenen van geruimde graven liggen daar naast een tamelijk lelijke sloot. Het begon te regenen. Ik schuilde onder een enorme boom en dacht aan Virginia Woolf.

Dat kwam door die sloot, maar ook omdat ik de avond ervoor een Russische kunstenares tegen het lijf was gelopen die een poos werkte aan ‘bodily memory’. Ik begreep dat dit het fysiek zichtbaar maken van emotionele herinneringen is. Ten overstaan van het publiek werd een actrice in een soort trance gebracht, waarbij ze zich kon inleven hoe Virginia Woolf zich moet hebben gevoeld op het moment dat ze die koude, lelijke rivier in liep.

Zou een dergelijke inleving mogelijk zijn? Toen de film The Hours uitkwam (in 2002) vroeg Hermione Lee zich iets soortgelijks af: was Virginia Woolf niet veel te gecompliceerd om een film over te maken?

Lee is de biograaf van Woolf. Natuurlijk vindt zij dat alles gecompliceerder en genuanceerder is dan een film kan waarmaken. Fictie gaat ver buiten haar comfortzone. Zelf noemde ze het ‘de terughoudendheid van een biograaf om een ​​echt persoon te achtervolgen in het territorium van de fictie met verzonnen gedachten en uitspraken’. Ik zie meteen voor me: een getormenteerde Schrijver wordt achternagezeten door horzel-achtige Gedachten. Samen rennen ze over een sprookjesachtig kerkhof en spelen verstoppertje tot diep in het rijk der Fictie.

Maar Lee heeft wel een punt. Natuurlijk is Woolf te gecompliceerd om in te koken tot anderhalf uur. Ik vermoed dat de filmmakers ook geen allesomvattendheid pretendeerden. En natuurlijk is fictie niet hetzelfde als de werkelijkheid. Fictie interpreteert de werkelijkheid. Het vindt daar iets van.

Als ik het essay van Lee lees, denk ik: Nicole Kidman als Woolf iets horen zeggen is kennelijk heel anders dan deze woorden lezen. Woolf zien verdrinken is per definitie romantiseren. Want ineens is er een getuige en dat maakt de dood veel minder eenzaam.

Eigenlijk lijkt Hermione Lee zich af te vragen of fictie iets ’betrouwbaars’ kan zeggen over de werkelijkheid. En ze stelt meteen een tweede retorische vraag: ‘Can a few outstanding moments provide consolation against the long beat of “the hours”? Do writing (and reading) make life bearable?’ Beide vragen hebben vermoedelijk evenveel antwoorden als er mensen zijn.

Via seance-kunst, literatuur of film kunnen wij ons Virginia Woolf voorstellen. En dan kan ze zomaar opeens zeggen: ‘to look life in the face and to know it for what it is, to love it for what it is, and then to put it away.’ Daar hebben we dus fictie voor.

 

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

foto: Bas de Brouwer

Reageer >
 

Zoete broodjes

19 oktober 2019 (9:40) | Uncategorized | 1 reactie

thumbnail_IMG_6192 (1)Opstaan en besluiten midden in de nacht een dag te beginnen, wanneer de stad nog slaapt, haar inwoners ook, wanneer het donker is en fris. Gauw je sokken aan voor de paar meter van bed naar badkamer, douche aan, kleding uit onder licht protest van een slaperig lijf.

Als eerste buiten, als enige op het fietspad, iedere dag dezelfde route, een weg die je langzamerhand kan dromen en dat moet ook wel, want wakker ben je nog niet. Aangekomen op bestemming gaat het beter, de wind heeft je goed gedaan. De deur protesteert ondanks dat je er je gewicht tegenaan gooit en toch kom je iedere keer weer binnen. De geur van zoet overheerst, wat je niet zou zeggen in een winkel met zoveel brood. Maar het zijn appeltaarten die winnen, gevulde koeken, vruchtentaartjes met een laag gelei. Het schort hangt op dezelfde plek als gisteren, twee keer uitkloppen voor het idee, de dag begint met een strik.
Wanneer het meel in de bak landt registreer je de cijfers op de weegschaal niet eens meer, het gaat op gevoel en ook boter, gist, water, je weet precies tot welke rand, ook al staat er geen streep aangegeven. De machine mengt en jij schenkt een kop koffie uit de kan waarboven de filter net is uitgedruppeld. Het deeg kan de rijskast in, iedere klomp een eigen hangmat, veertig minuten op de klok. Iedereen zou dit kunnen, denk je, terwijl de stukken door de opmaakmachine glijden. Na de rijskast en de oven kunnen ze in het schap, dan mag de winkel open en komen de mensen voor jouw brood.

Ik stond in een woonkamer die niet de mijne was. Moskou, de kat, wrong zijn dikke lijf tussen mijn benen door, waardoor ik bijna mijn evenwicht verloor. De dochter des huizes trok een pizza uit de oven terwijl het publiek binnenstroomde en op gammele stoeltjes plaatsnam. Op de paar vierkante meter uitgelicht door twee felle lampen stond een lessenaar me op te wachten. Aan de muur hing een poster met daarop in grote letters ‘huiskamerfestival’. Daaronder, in een bescheidener lettertype, stond mijn naam en een foto van jaren geleden waarop ik loenste. Mijn keel was droog, er stond geen water. Het papier zoog het vocht van mijn handpalmen op, kreukte, de letters vervaagden, letters van mijn gedichten die ik diende voor te lezen. En ik dacht: bakker, dat lijkt me wel wat.

JenteJente Jong werkt als actrice, theatermaker en schrijver. In 2017 debuteerde ze met de roman Het intieme vreemde bij uitgeverij Querido. Daarnaast schrijft ze toneelstukken voor onder andere de Toneelmakerij en speelt ze in een jeugdvoorstelling en een poëzieprogramma. Voor Tirade schrijft ze over haar (eerste) stappen in de schrijverswereld.

1 reactie >
 

Tiny houses

17 oktober 2019 (10:48) | Menno Hartman | Geen reacties

PVC - 001In Tiny House Nation maken John Weisbarth en Zack Giffin iedere aflevering een Tiny House voor een Amerikaans stel. Een Tiny House onderscheidt zich van het typisch Amerikaanse ‘Mobile Home’ vooral door de vormgeving en het ingenieuze interieur. Maar nog steeds moet het ding op een trailer passen en over de weg worden vervoerd. Het is een aanstekelijke serie die doet verlangen naar ook zo’n huisje.

Sinds de Western Trails, de expedities vanuit het gekoloniseerde Oosten naar het Wilde Westen van de VS in de 19e eeuw – de befaamde Lewis and Clark  Expedition van Pittsburgh naar de Pacific was bijvoorbeeld van 1804-1806 – is de huifkar niet weg te denken uit het Amerikaanse landschap. Amerika is een continent, de afstanden zijn gigantisch, maar je hebt je huis altijd in de buurt. Niemand zegt je wat te doen, de ruimte om je heen is van iedereen, en je eigen huis, huifkar, mobile home, tiny house is van jou. Sinds de kolonisten is het mobiele huis een typisch Amerikaans fenomeen.

In Gent, in het Paleis van De Schone Kunsten is een expositie van de Vlaamse kunstenaar Patrick Van Caeckenbergh. Een van de tentoongestelde kunstwerken is een tiny house, ‘het sigarenkistje’ is een kunstenaarsatelier vormgegeven zoals Weisbarth en Giffin dat doen: exact naar de wensen van de gebruiker. Van Caeckenbergh is een onderzoeker, een studerende kunstenaar, zijn tiny house is daardoor een bibliotheek annex atelier.

‘Maar het onderzoek gebeurt niet systematisch. De attitude van de kunstenaar is niet deze van de wetenschapper maar van de bricoleur. In plaats van de wereld in kaart te brengen schept hij nieuwe werelden waarin hij als een kamergeleerde in constante verwondering op ontdekkingsreis gaat.’

Het is een prachtige wereld, die van deze kunstenaar. Ik had er zo kunnen gaan wonen in dat tiny house en had me de komende maanden niet verveeld. Het mooie van een een ruimte die precies aangepast is aan je behoeften is dat het huis past als een tweede huid. Het lijkt wel alsof de dertig centimeter naast een boekenkast ontworpen zijn voor bijvoorbeeld The Histomap.  Een vormgegeven geschiedenis dat, zowel kunstwerk als encyclopedie is, een wereld op handzaam formaat, een erg Caeckenbergeaans ding.

‘Et puis, pourquois sommes-nous faits en viande?’  hangt er boven zijn bed, als een van de duizend betekenisvolle toevoegingen aan dit huis. Ja, waarom zijn we eigenlijk van vlees gemaakt?

Dit huis is huid, verblijf, denkraam en hoofd ineen.

IMG_6285

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

 

 

Reageer >
 

Erbij horen

16 oktober 2019 (9:47) | Gilles van der Loo | 2 reacties

PANNIEen tijdje terug was ik voor het Parool bezig met een stuk over het einde van een lief restaurant waar ik als twintiger werkte.

Terwijl ik met de eigenaren sprak, maakte mijn fotograaf alvast wat beeld. In de kelder kwam hij een grofgestucte muur tegen met streepjes, namen en data erop die door de volgende uitbater zeker weggeschilderd zouden worden.

Jakob drukte op zijn knopje en maakte zo de laatste foto van een muur waarnaast ik op hete zomeravonden de kassa telde terwijl mijn collega’s indronken aan de bar boven mijn hoofd.

Waar ik met klamme vingers getallen invoerde op een rekenmachientje; mijn dagtotalen op een strookje papier schreef voor het allemaal de kluis in ging.

Ik denk dat we naar de Kring zouden. Er zouden meisjes mee, maar ik wilde meer dan alles dansen. De meisjes waren belangrijk voor de vaart, het doorgaan.

Met zijn allen in de rij, dan langs een lachende uitsmijter, de trap op en binnenvallen alsof het je eigen surprisefeest is.

De zaal optillen met bakken goed humeur. Alle lichten leken feller in die tijd, toch werden we nooit verblind.

The future’s so bright, I gotta wear shades, zong Timbuk3 al in 1983.

Timbuk had zijn Wayfarers af moeten laten toen er het meest te zien was. Hij heeft vast spijt.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

2 reacties >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
 
Nr.474/475 Nr.476
 
 
voorpagina