Q&A op de Polytechnische Universiteit van Sint-Petersburg

5 september 2019 (10:57) | Eline Helmer | Geen reacties

illustratie van Nikita Klimov

illustratie van Nikita Klimov

‘Wat verstaat u onder ‘de nabije toekomst?’

De professor begint een verhaal over modellen en prognoses, maar wordt onderbroken door de directeur.

‘Hoeveel jaar? Noem gewoon een nummer! Hoe moeilijk kan het zijn zeg…’

De professor begint weer te stamelen over modellen.

‘Een num-mer!’ buldert de directeur.

‘Twintig tot dertig jaar,’ mompelt de spreker snel.

‘Kijk! Zie je nou wel dat je het kan.’

De tweede vraag: ‘Denk je dat de Arctische regio een belangrijke rol zal spelen in de overgang naar duurzame energie?’

De professor opent zijn mond voor een lekker lang antwoord, maar kijkt dan huiverig naar de directeur. Deze heeft zijn blik al strak op de professor gericht en schreeuwt meteen:

‘Zeg ja of nee! Je bent toch een professor? JA OF NEE?’

 

Eline Helmer (1993) begon na een BA Antropologie (University College Utrecht) en MSc Russische en Oost-Europese Studies (University of Oxford) in 2017 aan een PhD (University College Londen). Ze woont en werkt sinds 2015 in Rusland; eerst één jaar in Pskov, daarna in Sint-Petersburg en portretteert voor Tirade mensen die ze ontmoet

Reageer >
 

Liegen tegen kinderen

4 september 2019 (9:07) | Gilles van der Loo | Geen reacties

74C262FC-A204-40DD-95F0-5A9C43E1008AWat zijn de gevolgen van liegen tegen je kinderen?

Al is het een beetje off season: is Sinterklaas opvoedkundig gezien van belang? Is het waardevol als onze kinderen op jonge leeftijd ontdekken dat ze met hun hele hebben en houden in een leugen zijn getrapt?

Niet liegen leert hen dat volwassenen betrouwbaar zijn, dat de wereld zoals kinderen die van ons aannemen klopt.

In mijn jeugd waren geesten (Brabant, don’t ask) even aannemelijk als algebra en weersvoorspellingen. Verloor ik iets toen ik besloot dat het hiernamaals niet bestaat?

Mensen die zijn opgevoed met god en atheïst worden, blijven zitten met de realiteit en het gat dat god daarin achterliet. Dat vacuüm vulde zich in de jaren ’60 met het paranormale.

Babyboomers zijn in mijn ervaring dol op alternatieve geneeswijzen.

Nadim, nu zeven, wil met me naar een winkel in geneeskrachtige stenen. Hij wil een ketting met een bergkristal eraan, en heeft de inhoud van zijn spaarpot ingezet op zo’n toverhanger. De afgelopen dagen gingen we meermaals langs, en steeds was die winkel dicht: alsof ze me aan voelden komen.

Op de fiets, na school, hadden we het erover.

‘Zo’n steen,’ zei mijn jongen, ‘is miljoenen jaren oud, en ik vind ze zo mooi.’

Ik nam een bocht, zeilde een brug over en hield Nadim stabiel op de stang met de binnenkant van mijn armen.

‘Sommige stenen,’ zei hij, ‘zijn goed voor je ogen en andere tegen hoofdpijn en zo.’

‘Dat is niet waar.’

‘Mensen zeggen dat.’

‘De verhalen zijn prima, als je maar weet dat ze niet waar zijn.’

‘Heb jij dan vroeger geneeskrachtige stenen gehad die niet werkten?’

‘Ik had stenen en die deden niks.’

‘Maar het had dus wel gekúnd, dat ze geneeskrachtig waren. Alleen je merkte het niet.’

Ik dacht aan hoe ik niet geloof in een werkelijkheid buiten de zichtbare, en aan zo’n beetje al mijn verhalen, waarin een magisch-realistische component zit. Dat gat waarmee de generatie van mijn ouders kampte heb ik ook, en ik vul het net als zij met fictie.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Literair huppelen (moveor et cogito ergo sum)

2 september 2019 (9:15) | Berthe Spoelstra | Geen reacties

 

Dialogue Lucinda foto Anja Beutler

Maxim Februari zei in Zomergasten (25 augustus 2019) dat de literatuur in Nederland heel ‘plotgericht’ is. Ik ging thee zetten en mompelde dat hij eraan zou kunnen toevoegen: en de kunst in het algemeen is in de eerste plaats emotiegericht.

Toen de thee klaar was keek ik verder. “Tekst heeft het nadeel dat er ook altijd inhoud in zit die ontzettend afleidt van de vorm,” zei Februari. “Dus als je die vorm zelfstandig iets wil laten doen, zijn er altijd lezers die denken ‘Ja dat interesseert me helemaal niks die stijl, ik wil gewoon een verhaal en dan niet te ingewikkeld’. Literatuur, als het kunst is, probeert niet gewoon die plot te vertellen maar sprongetjes te maken.”

Hier had hij eigenlijk een fragment van Dialogue with Lucinda van choreograaf Nicole Beutler (uit 2010) moeten laten zien. Dat zijn nog eens huppeltjes! Juist omdat ze zowel vorm als inhoud zijn.

Maar Februari huppelde zelf ook mooi. Zo zei hij te streven naar dansante gewichtloosheid in woorden. Zo’n gedachte is dan alweer genoeg voor een hele avond. Ik zette de tv uit. (De rest van de fragmenten kijk ik later terug. Vaak lukt het me net niet om alle fragmenten op tijd te zien voor ze offline gaan, maar de podcast is ook fijn.)

Ik dacht, literatuur en theater zijn inderdaad vaak ‘plotgericht’ en daardoor ‘emotiegericht’. Veel verhalen fungeren als etalage voor uitvergrote emoties. Via verhalen kopen we als het ware emoties, we herkennen onszelf en voelen ons bevestigd, als in een moderne variant op de uitspraak van Descartes: moveor ergo sum. Ik voel, dus ik besta.

‘Movere’ betekent letterlijk: ‘bewegen’. In het Latijn zijn emoties als vreugde of verdriet vertaalbaar, maar ‘voelen’ in het algemeen niet. In Vergilius’ Aeneis (Boek IV) verwijt Dido Aeneas geen gevoel te hebben en stelt dat hij ‘immotus’ – onbewogen – is. Wellicht geldt volgens moderne begrippen dat wie ‘bewogen wordt’, gevoel heeft.

Natuurlijk is er niks mis met plot en emoties. Ze vormen de belangrijkste ingrediënten van drama. Complete genres bestaan uitsluitend uit plot en emotie. Maar zonder vorm worden die emoties als zeepbellen de wereld ingeblazen. Ze zweven los door de ruimte en spatten uit elkaar nadat je hun schoonheid (of lelijkheid) hebt bewonderd (of verafschuwd). Dan is het niet meer dan feelgood en zit er niks tussen ‘herkenbaar’ en ‘het doet me niks’.

Liefst bestaan literatuur en theater uit emotie die dicht op de huid zit – en zicht biedt op de context waaruit deze gevoelstoestand voortkomt – maar bieden zij ook een vormexperiment. Als ik Februari goed begrijp is emotie in literatuur voor hem zowel fysiek als mentaal bewegen. Letterlijk ‘moveor et cogito, ergo sum’.

 

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

foto Bas de Brouwer

 

Reageer >
 

En de groeten van Loekasjenko

28 augustus 2019 (17:29) | Eline Helmer | Geen reacties

illustratie Anna Borisova

illustratie Anna Borisova

‘Wat een broodje! Toe maar hoor! Alsof het allemaal niks kost! Zo, die jongen heeft geld genoeg zo te zien, wat een broodje zeg!’

Een rimpelig omaatje roept dwars door de overvolle bus.

‘Zeker zo’n verwend kind, daar zijn er tegenwoordig veel van. Vroeger, toen waren er niet van zulke broodjes. We zijn hier wel in de stad van de blokkade hoor, heb je daar wel eens aan gedacht?’

Er draaien nu steeds meer gezichten in de bus onze kant op. De Nederlandse student, die geen Russisch verstaat, hapt al met wat minder enthousiasme in zijn broodje gezond. Ik zeg tegen de vrouw dat we met een groep Nederlandse studenten naar het Russisch Museum gaan.

‘Oh.’

Ze krabbelt wat aan de uitgedroogde wrat naast haar neus.

‘Ik ben ook vaak met studenten op stap geweest, ik ben eigenlijk docent Russisch,’ mompelt ze een beetje verdwaasd. Ik vraag of ze zelf uit Sint-Petersburg komt.

‘Nee, uit Wit-Rusland.’

Ik zeg gauw dat mijn vriend Vitalii daar ook vandaan komt, uit Mahiljow. Een brede glimlach verschijnt op haar gezicht.

‘Mijn landgenoot! En ook nog eens uit Mahiljow, nou zeg, wat een toeval! Mijn zoon woont daar nu, hij is getrouwd met een Russische, ze spreekt wel vier talen. De kleinkinderen spreken ook al twee talen thuis, en Engels op school.’

Ze glimlacht.

‘Het zijn zulke kanjers! Mijn man leeft niet meer, maar dat was ook al zo’n talentvol figuur. Hij verloor zijn beide ouders in de oorlog en groeide op in een weeshuis. Zo leerde hij dus al vroeg voor zichzelf op te komen. Weet je, ik was dan vroeger wel docent Russisch, maar mijn hart ligt eigenlijk bij de Wit-Russische poëzie. Wat Poesjkin voor de Russen is, is dit gedicht voor ons. Luister, deze kent Vitalii zeker!’

Gevaarlijk zwaaiend met haar wandelstok in de volle bus begint ze te citeren. Ik ben blij dat we in de file staan. Dan valt ze stil.

‘Heb je dat nieuwe hoge gebouw gezien dat ze aan het bouwen zijn aan de andere kant van de rivier? Het is toch niet te geloven. Zo hoog. Vijf verdiepingen, meer heeft een mens toch niet nodig? Dat is niet natuurlijk. Waarom willen mensen zo ver weg van de aarde?’

Ze schrikt op.

‘Is dit al de Nevskii prospekt? Dan moet ik eruit. Nou, alle goeds hoor. Ik wens jou en Vitalii het allerbeste, en dat jullie maar veel gezonde kinderen mogen krijgen.’

Ze knijpt in mijn hand en vraagt me toch vooral de hartelijke groeten te doen aan haar landgenoot.

‘Ik weet niet eens hoe u heet, van wie moet ik de groeten doen?’ vraag ik.

Een guitige grijns verschijnt op haar gezicht.

‘Doe maar van Loekasjenko, dat wordt grappig,’ gniffelt ze, terwijl ze tastend met haar wandelstok de bus uitstapt.

 

 

Eline Helmer (1993) begon na een BA Antropologie (University College Utrecht) en MSc Russische en Oost-Europese Studies (University of Oxford) in 2017 aan een PhD (University College Londen). Ze woont en werkt sinds 2015 in Rusland; eerst één jaar in Pskov, daarna in Sint-Petersburg en portretteert voor Tirade mensen die ze ontmoet.

Reageer >
 

Velden vol nee

28 augustus 2019 (9:28) | Gilles van der Loo | Geen reacties

a2fa8617-0e08-4ee4-a106-f8fc28a10505Twee is de beste leeftijd. Iemand die het altijd met je eens is kun je niet leren kennen.

Deze zomer zal ik me herinneren als één zonovergoten veld, maar we hebben door zoveel velden gelopen, samen.

Je zei voortdurend nee, en ik leerde je steeds een beetje beter kennen.

Toen je moe werd vroeg ik of je op mijn schouders wilde, en jij zei nee.

Ik tilde je op en je schreeuwde het.

Je kiest je eigen kleren. Verplaatst hemel en aarde voor een nieuwe rode zonnebril, ook al is die voor volwassenen en blijft hij van je dopneus glijden.

Wat ga ik twee missen.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Reageer >
 

Kevin Spacey is een bokser – communiceren in metaforen

26 augustus 2019 (15:46) | Berthe Spoelstra | 1 reactie

 

pugile a riposo

Op 8 augustus 2019 kopt The Daily Beast: “Kevin Spacey Uses Poem to Tell World: The More You’re Wounded the Greater You Are, and the More Empty”. Nieuwsfeit is dat de acteur voor het eerst in het openbaar optreedt sinds de rechtszaak wegens seksueel wangedrag is geseponeerd. Spacey leest op 2 augustus een gedicht voor in Palazzo Massimo alle Terme, Rome, staand naast het standbeeld Bokser in rust (300-200 v.Chr.). De Italiaanse dichter Gabriele Tinti, die vaker gedichten in musea door acteurs laat voordragen, heeft Spacey zelf uitgenodigd en plaatst ook eigenhandig een ’official video’ op YouTube.

In het filmpje is te zien hoe Spacey The Boxer voordraagt: “I shook the country, made the arenas vibrate (…). I lit up the darkness, collected insults, compelled applause. Not everyone knew how to do this. None of you.” Hij kijkt zijn publiek doordringend aan. Spottend, uitdagend; het is die typerende Frank Underwood-blik. Gaat dit optreden over manipulatie en wraak, het centrale thema in House of Cards? Spacey wijst op het standbeeld naast hem. We zouden eens denken dat het gedicht over hemzelf gaat.

De boodschap is glashelder: zowel bokser als acteur zijn entertainers die hun geld verdienen in de publieke arena. Ze genieten roem, kunnen hoog vliegen  maar ook hard vallen. Verwondingen, bloed en pijn horen erbij, daar zijn ze niet bang voor want ze zijn vechters. En denk nooit dat hun rol is uitgespeeld, voor je het weet komt de fatale klap.

Het is niet de eerste keer dat Spacey zich via fictie uitspreekt over de werkelijkheid. Kerstavond 2018 zette hij de inmiddels beruchte video Let me be Frank online. In de rol van Frank Underwood uit House of Cards richt hij zich rechtstreeks tot zijn publiek: “Natuurlijk willen sommigen maar al te graag dat ik toegeef dat alles waar is en ik mijn verdiende loon kreeg. Maar jij en ik weten dat het niet zo simpel is, niet in de politiek en niet in het leven.”

Reputatie-expert Paul Stamsnijder reageerde: “Het is niet gepast dat een personage zich uitspreekt over het privégedrag van de acteur.” Hij bedoelde vermoedelijk het omgekeerde: het is laf dat een acteur zich verschuilt achter een personage, maar Spacey gebruikt simpelweg zijn gereedschapskist. Zeur niet, lijkt hij te zeggen, want jullie maken mij tot wie ik ben: de acteur, politicus, bokser die koste wat kost moet schitteren, al weet iedereen dat het vuil spel is.

Het is de metafoor die alles communiceert.

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

foto Bas de Brouwer

 

1 reactie >
 

American Carnage (1)

24 augustus 2019 (7:32) | Uncategorized | 1 reactie

Superior Motors

Veruit de meeste mensen houden hun handpalmen, wanneer ze hun armen langs hun lichaam laten hangen, naar binnen toe gekeerd, richting de dijen. Dat is nu eenmaal onze bouw; daar denken we verder niet bij na. Wanneer we uit die ruststand de arm heffen, steken we automatisch onze hand uit, als een natuurlijke uitnodiging aan de ander om die te schudden.

Bij sommige mensen hangen hun handen in ruststand niet met de palmen naar binnen, maar juist naar achteren, een kwartslag gedraaid dus. Als hun armen lang genoeg zouden zijn, zouden ze met hun knokkels over de grond slepen. Wanneer deze mensen hun arm heffen, brengen ze automatisch een primitieve oervorm van de Hitlergroet. Je mag het niet hardop zeggen, maar beschaving heeft dus wel degelijk ook een anatomische component.

Hieraan moest ik denken toen ik even een sigaretje tussen de gangen door rookte op de stoep van restaurant Superior Motors in Braddock, net buiten Pittsburgh, Pennsylvania. Superior Motors is gevestigd in een voormalige autofabriek in het hart van de Amerikaanse staalindustrie, of wat daar nog van over is. Tegenwoordig serveert chef Kevin Sousa hier gerookte tofu met gefermenteerde dinges en zeewier. ‘If this is the taste of American Carnage’, zei ik tegen mijn tafelgenoten, ‘I’m liking it!

We dineerden met de nieuwe lichting faculty van Carnegie Mellon University, waartoe mijn M. sinds kort ook behoort. Tegenover me zat een onmogelijk jong professormeisje met een tatoeage van Euler’s identity* tussen haar schouderbladen. Zodra het gesprek te diep op algoritmes inging, greep ik mijn kans en glipte ik naar buiten.

De eerste knokkelsleper die ik op straat tegenkwam had ook een tatoeage. Op zijn arm stond geen wiskundige vergelijking, maar de cijfers 15104, de postcode van Braddock. ‘You a smoker?’ vroeg hij naar de bekende weg, want precies op dat moment stak ik mijn sigaret op. ‘You a local?’, vroeg ik terug. Ook hij antwoordde niet, maar wees op zijn arm. Zwijgend stonden we elkaars domheid in te schatten toen zijn maat erbij kwam.

Ze waren allebei even blond en even dik of even opgepompt – soms is het verschil tussen overgewicht en bodybuilding moeilijk te zien. De tweede knokkelsleper stond net iets te dicht bij me toen hij vroeg of ik samen met hen een rondje wilde gaan rijden. ‘I got a big ass truck’, vermeldde hij erbij. Ik zei dat ik binnen met een groep zat te eten, maar dat maakte geen indruk.

Yo! We Crips yo!’ bulderde de tweede knokkelsleper plotseling in mijn gezicht. ‘We claim blue, know what I’m sayin’?’ Met zijn worstenvingertjes maakte hij een verwrongen C in de lucht. “It means we fuck up anybody wearing red yo!

Yo’, begon ik mijn antwoord, want het is altijd verstandig om je taalgebruik aan te passen aan je gehoor. ‘I know that reference.’ De Crips en de Bloods, die zich respectievelijk in het blauw en rood kleden, zijn twee concurrerende straatbendes, oorspronkelijk afkomstig uit Los Angeles. In 1982 had Michael Jackson hen tijdelijk bij elkaar gebracht om samen te dansen in de videoclip van Beat it. Op hun hoogtepunt rond het jaar 2000 telden de diverse Crips-afdelingen tienduizenden leden, verspreid over heel Amerika. Dit alles behoort tot mijn algemene ontwikkeling, maar toch besloot ik mijn mond te houden omdat ik niet wist wat ik aan moest met het MAGA-petje van de tweede knokkelsleper.

Net toen de stilte pijnlijk begon te worden, liep mijn M. een paar stappen naar buiten om me te roepen voor het nagerecht. ‘Who the fuck is that?’ vroeg de tweede knokkelsleper. ‘My colleague, loog ik uit veiligheidsoverwegingen, want ‘husband’ kon weleens verkeerd vallen.

Veilig vanachter het raam van Superior Motors, onder het genot van chocoladetaart met perzikmarmelade, zag ik de knokkelslepers elkaar glazig aankijken, zichtbaar verward door die buitenlander die ineens op een drafje was verdwenen. Bijna synchroon maakten ze een wegwerpgebaar, waarna ze hun armen weer lieten zakken in hun natuurlijke ruststand.

_______________________

* eiπ + 1 = 0

Arjen van Lith (1971) is schrijver en journalist. Sinds een week woont hij in Pittsburgh, Pennsylvania, waar hij naast zijn verzetsactiviteiten stug doorwerkt aan zijn sleutelroman.

1 reactie >
 

Een ZAGSje doen

22 augustus 2019 (8:00) | Eline Helmer | 1 reactie

illustratie Nikita Klimov

illustratie Nikita Klimov

In de taxi praat ik met de Turkmeense chauffeur over het onderwerp dat ons beide bezig houdt: visa shit. Hij heeft namelijk wat handige tips voor me.

‘Ik ben in eerste instantie met een studievisum gekomen. Toen dat afliep deed ik een ZAGSje met een Russische vrouw.’

Pardon, een wat? Ik ken de afkorting ZAGS, die verwijst naar het bureau waar huwelijken worden gesloten, maar dat associeer ik nu niet meteen met iets wat je ‘eventjes doet’.

‘Een ZAGSje, een fictief huwelijk, weet je wel. Nu wil ik m’n vrouw uit Turkmenistan over laten komen, maar dat is moeilijker. Jonge meisjes komen het land helemaal niet uit. Onder de dertig is de overheid bang dat ze niet meer terugkomen, en terecht trouwens. Hopelijk komt ze gauw, met een studievisum. Daarna, tja. Misschien doet zij dan ook een ZAGSje, met een Rus. Liever niet natuurlijk, maar dat zien we dan wel weer. Zeg, hoe zit dat met jullie? Waarom moet jij zo vaak een nieuw visum?’

Ik leg onze situatie uit: ik een Nederlander, mijn vriend een Rus slash Wit-Rus. Ongetrouwd, dus ik moet steeds een nieuw visum ophalen in Nederland, het is allemaal erg duur en…

De chauffeur onderbreekt me.

‘Hij is een Rus?!’

Verbaasd kijkt hij in het achteruitkijkspiegeltje.

‘Luister, je doet toch gewoon even een ZAGSje? Sorry dat ik het zeg hoor, maar wat is in godsnaam jullie probleem?’

1 reactie >
 

Vrijer beroeper

21 augustus 2019 (9:25) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_2002Het voordeel van een vrij beroep is dat je zelf je rooster maakt. Dat betekent onder andere dat ik kan besluiten om een ochtend te niksen, met Otis de hond in de zon te zitten zolang als me dat nodig lijkt. Ik had zoiets nog nooit gedaan.

De strengste baas die ik ooit had: ik plan mijn dagen tot de nok toe vol, en als er echt geen werk meer te doen is, ligt er altijd nog een klus in huis, een telefoontje met een vriend die ik nodig weer moet spreken, of een plan om uit te werken dan wel voor te leggen.

Wat er precies veranderd is weet ik niet, maar de laatste dagen geef ik mezelf soms vrij. Vanochtend las ik de krant met een espresso. Ik aaide Otis de hond, las een hoofdstuk uit een boek, las een stukje van mijn eigen laatste boek. Oot begon te piepen en ik besefte dat hij uit moest. Met de riem over mijn schouder wandelde ik hem naar de rivier.

Een stad, zegt Issa in Het jasje van Luis Martín, moet een rivier hebben. Dat klinkt mooi en romantisch, maar bijna alle steden hebben een kanaal of rivier.

De zon wentelde zich in de golfjes van het IJ en lichtte de gebouwen ook van onder uit, hun ramen als de lampen in een lichtmast. Ik ging zitten op de brede kaderand en probeerde van mijn telefoon af te blijven. Niets doen, daar moet je inkomen. Zoals beginnen aan een boek: het kost moeite voordat je erin zit en je mee kan laten voeren.

Verderop lag een man van mijn leeftijd in een strandstoel; hij bewoog niet, maar zijn onrust drong zich zelfs met dertig meter afstand aan me op. Tegenwoordig zijn de vreemdste figuren mannen en vrouwen van mijn leeftijd.

Mijn verlangen naar afleiding was niet zo groot dat ik hoopte dat de man met me zou komen praten, maar het scheelde weinig.

Pontjes kruisten elkaar. Aken drongen IJwater uiteen en ik dacht aan Gijs, die in deze rivier gevonden werd.

Zijn lach is kwijt. Ik weet niet mee hoe die klonk, terwijl ik zijn humor zo vaak mis.

Acht jaar, chico, zei ik tegen een schipperende meeuw. De hoogbouw op de Westerdoksdijk speelt die beesten parten, zelfs de wind is niet veilig voor de menselijke hand.

Hoewel ik niet langer dan drie minuten gezeten kon hebben, werd het tijd om op te staan.

Voor een kiosk met terrasje dronk ik koffie, meed praatjes met een roedel vaste gasten. Ik zat op een bank en volgde Otis, die bezig was een waterdicht territorium af te vlaggen. Na een paar minuten zat elk staand vlak in een straal van vijftig meter onder de pies.

‘Goed werk, man,’ zei ik toen hij tevreden terugkwam. Ik bedankte de mevrouw van de kiosk en maakte een grap die ze niet begreep. Dat gebeurt vaak als ik een tijdje geen mensen heb gesproken: ik moet nog in mijn taal komen, of eerder in de taal van anderen.

Eenmaal thuis probeerde ik de krant uit te lezen, maar het lukte niet. Ik keek op mijn horloge zonder de tijd te registreren, vouwde mijn laptop open en klokte in.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Reageer >
 

T punt. Over Tom van Deel

16 augustus 2019 (14:12) | Menno Hartman | Geen reacties

Dichter, criticus, docent Tom van Deel, overleed op 12 augustus 2019. Voor Van Oorschot stelde hij de bloemlezing samen uit het werk van Simon Vestdijk met de titel Een snik tot glimlach omgelogen, een regel van Vestdijk die nu ook zijn rouwkaart siert. De bundel verscheen in 2010, maar mijn contact met Tom gaat verder terug. Tussen 1995 en 1998 was hij op de universiteit de docent die me poëzie heeft leren lezen, en aan het einde van die studie begeleidde hij mijn scriptie over Martinus Nijhoff.

Tom van Deel heeft veel fraaie gedichten geschreven, heel veel boeken besproken, maar vooral ook heel veel studenten de vraag gesteld: wat lees jij hier? In de werkcolleges poëzie gaf hij uitvoering aan wat naar wat mijn smaak de beste benadering is wanneer je studenten met poëzie confronteert: er samen naar kijken en samen bespreken wat het zou kunnen betekenen wat daar staat, waarom het er staat en wat jij daarvan vindt. Ik vond dat Tom dat erg knap deed. Vooral omdat hij het voor elkaar kreeg zijn enorme belezenheid niet al te zwaar op je te laten drukken.

School maakte hij met de bespreking van klassieke thema’s in de moderne, vaak Nederlandse, poëzie. Nijhoff bijvoorbeeld in zijn Een idylle uit 1940, over Hermes en Laodamia en Protisilaos;

De weg van hier naar ‘t dodenrijk
wijst zich vanzelf. Zie, bij deze eik
begint een pad en dat voert recht
naar waar Charon zijn boot aanlegt.

Geen kent die wèg als ik hem ken.
Want ik ben Zeus’ zoon Hermes, en,
naast hoeder van het vee en bode,
ben ik de leidsman van de doden.

[…]

Tom zou dan de studenten eerst vragen na te zoeken wat we kunnen weten over deze figuur Hermes uit de klassieke teksten. Hoe staat het daar? Doet Nijhoff ongeveer hetzelfde? Waar wijkt hij af van zijn bronnen?Hoe vind je dat? Klopt het bij wat jij van Hermes vindt of denkt? Wat zou Ovidius of een ander klassiek auteur tegen deze Hermesfiguur inbrengen?

Het leverde vaak goede gesprekken op. Het is een vorm die goed bij Van Deel paste, de klassieke benadering van doceren als een gesprek, de verwijzing naar wat je kunt nazoeken en vaststellen,  zien hoe er veranderd wordt en welk doel dat dient, en hoe je dat tenslotte waardeert, hoe nieuwe poëzie kan ontstaan uit oude bronnen, dat demystificeert ook. In zijn recensies ging het vaak niet anders. Van Deel was vooral een bezeten lezer, met vaste waarden in zijn boekenkast. Met zijn studenten was hij zachtmoedig, hij accepteerde fouten waar hij wel op wees. Met zijn op den duur wat mandarijnachtige status in het Nederlands landschap wisten noch hijzelf noch zijn criticasters goed raad. Zo zachtmoedig als hij was, er was een wat driftige keerzij.

Maar die zag je zelden, vaker hoorde je ‘Jongens, wat is het toch gezellig’, met een witte liefst Zuid-Afrikaanse wijn in handen, pratend over zijn geliefde Griekenland of een van zijn grote schrijvers. In zijn kritisch werk alsook in zijn poëzie laat hij de indruk na van een zachtmoedig, precies, humoristisch gedreven en bewonderend lezer. Op veel van zijn studenten zal hij de indruk hebben gemaakt dat goed lezen aan te leren is en dat je kunt leven voor literatuur en dat dat een mooi leven kan zijn. Ik hoop met hart en ziel dat hij dat op het einde zo gevoeld heeft.

Vaarwel, ‘k Aanvaard de overtocht.
Vreemdeling, als zij komen mocht,
zeg haar dat ik niet wachten kon. –
O aardse liefde! – Het uur is om. –

 

 

 

IMG_6285

Menno Hartman (1971) was student van T. van Deel en is uitgever bij Van Oorschot.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
 
Nr.474/475
 
 
voorpagina