EL CORDOBÉS

15 november 2019 (9:21) | Hans van Pinxteren | Geen reacties

coLaatst kwam ik op TIRADE.NU Erop of eronder, het stierengevecht revisited van Menno Hartman tegen. Al breekt hij er niet echt een lans voor het stierenvechten in en heeft hij het slechts op TV gezien, toch heeft het hem niet onberoerd gelaten. Anders zou hij niet gefascineerd zijn geraakt door de stilering ervan.

Toen ik zijn stuk las, moest ik denken aan een stierengevecht dat ik lang geleden heb bijgewoond. Om wat ik toen heb meegemaakt geloof ik niet dat stierenvechten, zoals hij concludeert, zou gaan over ‘Het intieme moment dat steeds terugkeert: onderwerping en vernedering van de toreador.’ Of dat zijn falen en pijn het hoogtepunt zou zijn. Natuurlijk zullen er best toeschouwers zijn die genieten van de vernedering van de torero. Maar of het daarom draait?

Ik was nog geen 20 toen ik voor het eerst een stierengevecht zag. Of het op de Plaza de Toros in Santander of Burgos was, weet ik niet meer, maar de corrida zelf, eind juli, begin augustus ‘63 staat in mijn geheugen gegrift, ten minste: het optreden van de legendarisch geworden El Cordobés.

Het was bloedheet die middag. Ik had een staanplaats op de tribune in de zon genomen, want dat was het enige wat ik mij met mijn budget als lifter kon veroorloven. Het was al ver na vieren en ik keek tegen de zon in. Maar als ik El Cordobés niet het bravourestuk zag uithalen dat hij geregeld vertoonde: de stier tussen de horens kussen, is dat niet doordat ik halfverblind werd. Nee, die middag maakte hij de indruk dat het gevecht zelf hem niet echt interesseerde, alsof hij met zijn gedachten ergens anders was dan bij de stier. Wel liet hij het dier akelig dichtbij komen: verscheidene keren schampte de kolos met de lendenen langs zijn ribbenkast, alsof de matador de lijfelijke confrontatie juist opzocht.

Maar nadat de finale met een paso doble was ingezet, leek de vertoning een nogal abrupt einde te vinden. Want hoewel hij geen enkele angst voor de stier scheen te hebben, stak El Cordobés in tegenstelling tot de andere torero’s die ik die middag zag optreden en die het schouwspel soms lang rekten, zijn degen vrij direct tussen de schouders van het dier om hem de genadestoot te geven. Kennelijk vonden de mensen om mij heen dit een veel te snel einde, want ze begonnen te joelen en te fluiten. Vooral toen de stier door bleef lopen, zich omdraaide, met de hoeven door het zand sloeg en op de torero afkwam, ontaardde de eerst alleen her en der geuite afkeuring in een hels gefluit. Opvallend genoeg had de matador bij de eerste tekenen van misprijzen zijn rug naar de stier toe gekeerd en keurde hem geen blik meer waardig. Hij liep met vastberaden tred, niet langzaam, niet snel, richting de catacomben, als om kenbaar te maken dat hij zijn werk gedaan had en zich er niet meer mee bezighield. Hij stapte bedaard voort, het hoofd geheven, ook toen de stier meer vaart begon te krijgen en recht op hem afstormde.

Toen hij nog zo’n tien meter van de matador verwijderd was, nam het gejoel af, en met elke meter die de kolos de man naderde, werd het stiller. Ja, alle gefluit was weggevallen en je kon nu het dof stampen van de hoeven in het zand horen. Maar alsof hij doof was geworden liep El Cordobés onverstoorbaar verder naar een gaping in het beschot rond de arena, die toegang gaf tot de catacomben. Ik herinner mij nog dat door mij heen flitste: wil hij dood? Kan hij de schande niet verdragen door het publiek te worden uitgejouwd, geminacht? In de stilte die was gevalien, slaakte een vrouw een kreet. Er trok iets als een huivering door de massa toen de stier de man op nauwelijks twee sprongen was genaderd en zijn kop omlaag bracht om zijn belager op de hoorns te nemen. Want omdat El Cordobés in hetzelfde tempo bleef doorlopen, alsof hij het beest niet vlak achter hem hoorde snuiven, moet iedereen in de arena bewust of onbewust hebben begrepen wat er te gebeuren stond.

Wat zich in het nu volgende ogenblik afspeelde, is iets waar ik nog steeds geen verklaring voor heb. Was het een wonder? Of misschien toch gewoon de wet van de zwaartekracht? Want op hetzelfde moment dat de kolos met de kop naar beneden ging om zijn kweller omver te stoten en onder zijn hoeven te vermorzelen, zakte hij door zijn voorpoten en stortte neer op de grond. Het duurde even voor de menigte zich realiseerde dat de matador de dans was ontsprongen. Maar toen dit eenmaal tot iedereen was doorgedrongen en de spanning gebroken was, begon de massa opnieuw te joelen, dit keer heftiger nog dan eerst. Het stadion werd afgebroken, men stampvoette op de tribunes en scandeerde de naam El Cordobés. Maar de torero zelf leek onaangedaan; zonder de pas te vertragen of te blijven staan om het applaus en de toejuichingen in ontvangst te nemen, liep hij door en verdween in de catacomben. Al werd zijn naam steeds luider geroepen en was ook het publiek op de overdekte zittribunes overeind gekomen, El Cordobés kwam niet terug in de arena: alsof hij weigerde een publiek te bedanken dat hem had uitgejouwd.

Zelf heb ik in mijn leven drie corrida’s bijgewoond. Eén in Portugal, één in  in Frankrijk, en één in Spanje. In Portugal werden de stieren niet gedood, dat was meer een tamme circusvoorstelling; in Frankrijk heb ik de zes keer dat een stier de arena werd ingejaagd, steeds niets dan een ordinaire slachtpartij gezien. Als mijn herinnering aan het stierenvechten in Spanje van een andere orde is, komt dit door El Cordobés, die op een fataal moment een ware doodsverachting tentoonspreidde. Op grond daarvan denk ik dat je ten onrechte veronderstelt dat het hoogtepunt van de corrida het falen, de pijn of zelfs de vernedering van de torero is. Als het daarom draaide, zouden de tegenstanders zonder meer gelijk hebben dat stierenvechten iets verwerpelijks is, een armzalige vertoning. Nee, de Spanjaarden komen naar het stierenvechten om een ritueel bij te wonen, of preciezer nog, om een confrontatie met de dood mee te maken waarbij het gaat om moed. De moed van de torero, de moed van de stier. Hoe reageert de matador als hij op de grond ligt en de stier op hem afstormt: wat is hij dan waard? Blijft hij kalm in het aangezicht van de dood?

De beroemde torero Paco Ojeda heeft eens gezegd: “Ik ben niet bang voor de stier, ik ben bang voor het misverstand.” Het misverstand die middag in Burgos was dat het publiek aannam dat de matador het ritueel niet juist voltrokken had: dat hij de stier in plaats van hem met één welgerichte stoot te doden, niet naar behoren had geraakt. Dat hij zich hiermee had gedegradeerd tot een slachter. Maar El Cordobés was bang noch voor de stier noch voor het misverstand. Het enthousiasme negerend van een publiek dat hem een moment eerder tot zó’n extreem bewijs van onverschrokkenheid had gedreven, vervolgde hij ook in deze ogenblikken van triomf zonder op of om te zien zijn weg naar de catacomben, en verdween.

Dit aan het sacrale grenzend gebeuren kwam in mij terug bij Menno Hartmans stuk over het stierenvechten. Ik ben het volkomen met hem eens dat wij daar vanuit onze cultuur geen oordeel over moeten vellen en de Spanjaarden zelf maar moeten laten uitmaken of zij deze traditie willen behouden of niet.

Wel vraag ik mij de laatste tijd steeds meer af: maar ík, waarom in hemelsnaam ben ík, een noorderling, tot driemaal toe naar een corrida gegaan? Voldeed die eerste serie van zes dan niet?

Achteraf gezien was mijn bezoek aan de Plaza de Toros in Burgos meer dan genoeg. Van de achttien keer dat in mijn bijzijn een stier de arena werd ingejaagd, was er maar één krachtmeting bij waarom ik mij niet schaar onder degenen die dit oude ritueel liever vandaag dan morgen zien afgeschaft. Een exclusieve waardering, die naar zowel de matador als de stier uitgaat. Want alleen bij het optreden van El Cordobés kreeg de stier de kans zijn moed ten volle te tonen en zijn woede tot het laatste (ook voor hem) glorieuze moment op zijn doodsvijand te richten.

 

—-

Hans van Pinxteren is dichter en vertaler

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reageer >
 

Driekoningen

13 november 2019 (9:10) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_3125In de rij bij de kassa van de bouwmarkt stonden twee bonkige mannen met stof in hun haar, hun armen vol dozen vol schroeven. Daar bovenop lagen Snickersrepen en Bifiworsten uit het schap naast de lopende band.

‘Halloween,’ zei de een. Hij haalde zijn schouders op, de pijpen van zijn betongrijze overall gingen mee omhoog.

‘Mijne ook,’ zei de ander.

De mevrouw achter de kassa scande, doosjes vlogen als ijshockeypucks over haar laserraampje.

‘Van het ene op het andere jaar is het afgelopen,’ zei de overall.

‘Leuker toch? Met verkleden en zo.’

‘Vampiers, waren de mijne.’

‘Kees ging als lijk.’

Alles mocht op rekening. De repen en worsten gingen in broekzakken, de schroeven in een plastictas.

‘Gaat Jana wel zitten?’

‘Vorig jaar kwam er bijna niemand langs.’

Later vandaag zou ik falende lichtjes in zelfgemaakte lampionnen proppen en met Ada en Nadim een rondje door de wijk lopen. Warmte zou uit volle gangen over hun rillende lijven rollen. Tienermeiden zouden snoep uitdelen terwijl ouders witte wijn dronken op de achtergrond.

Waar ik opgroeide had je Driekoningen. Ik herinner me de eerste Sintermaarten, na onze verhuizing naar het noorden.

Het voelde niet hetzelfde, en ik deed er dan ook niet aan mee. Pas met mijn eigen kinderen zou ik op 11 november langs de deuren gaan.

Ada en Nadim zullen Sintermaarten zonder moeite inruilen voor Halloween.

Nadim heeft een roodgevoerde cape en van die spitse tanden. Zijn oma maakte ook een cape en tandjes voor zijn knuffelkonijn Pietpiet.

Voor Ada denk ik aan een zombie.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Gewoon de trap af glippen

11 november 2019 (8:59) | Berthe Spoelstra | Geen reacties

foto: August Strindberg “Packis i stranden” (1892)

Recent schreef Sytske van Koeveringe een nieuwe interpretatie van het klassieke toneelstuk (uit 1898) ‘Naar Damascus’ van de Zweedse schrijver August Strindberg. Haar stuk heet Naar Ikea en gaat, zoals de titel verraadt, over een moderne hel.

Bij Van Koeveringe is de schrijver geen oudere  man, maar een jonge vrouw. Zij maakte ooit goud uit de bagger van het dagelijks leven, maar nu is ze ziek. Hij is de aanhankelijke hond die in de hal wacht tot zij hem mee uit neemt.

‘Naar Ikea’ begint als een herkenbare man-vrouw verhouding, hoewel de klassieke rollen van 121 jaar geleden zijn omgekeerd, maar al snel groeit het stuk van een zeker naturalisme uit tot een expressionistische, vervormde kijk op het leven. Die lijn volgt precies het verloop van Strindbergs schrijverschap. Ook hij eindigde ver verwijderd van het naturalisme waarmee hij ooit begon.

Van Koeveringe draaide niet alleen de man-vrouw verhoudingen om. Ook voor haar expressionisme koos ze een eigentijdse vorm. Zij schreef voor haar twee hoofdpersonages, Zij en Hij, allerlei min of meer abstracte alter-ego’s.  Er komt een Ex-echtgenote voorbij, een Verkoper met zalvende praatjes en een Parkeerwachter. Maar ook Gekte, Jaloezie, Levenservaring en een allesverwoestende Tumor maken hun opwachting. Onder druk van dergelijke helse krachten is het voor deze vrouw en man moeilijk zichzelf staande te houden. Er wordt geen goud meer gesponnen aan de schrijftafel, de kersverse relatie loopt vast.

Het gevolg is stilstand, een wanhopige poging tot grip houden op de werkelijkheid, een ondergaan van tijd. Een niet-handelen. Een babbelen in het Boeddha-slaapkamer-arrangement in de hoop tenminste elkaar te kunnen vasthouden. Er is alleen heden, voor wat het waard is. Want als de toekomst slechts existentiële eenzaamheid en desolate destructie is, waarom zou je dan nog zoeken naar een horizon? En als je geen toekomst hebt, maakt het dan nog uit wat je geschiedenis is?

Een dergelijk vacuüm las ik ook in de debuutroman van Sytske van Koeveringe. Julia, de hoofdpersoon van Het is maandag vandaag (in 2017 verschenen bij De Bezige Bij), is een observator die lijdt aan slapeloosheid en depressie. Ze verdooft zichzelf met voedsel, alcohol en ibuprofen. Niet het grootse of wereldlijke drama staat in deze roman op de voorgrond, maar de slopende gang der dagelijkse dingen.

En als eindelijk een crisis aanstaande is glipt Julia gewoon de trap af. Letterlijk. En zonder groeten. Van Koeveringe laat de andere personages vlak voor het hoogtepunt gewoon op de overloop staan. Hoofdstuk afgelopen. Niks geen confrontatie, niks geen crisis en ook geen ontspanning. Dat is de dodelijk depressieve status quo die onderwerp is van deze prachtige roman.

Ik denk wel eens dat we, literair gezien, in een zwevende zeepbel zonder gronding zitten. Misschien is er in onze werkelijkheid zoveel context, dat het in fictie prettig is om een dilemma tijdelijk te isoleren. Gewoon even afzonderen van de rest van de wereld, ongemerkt verdwijnen in een universum zonder verleden, maar vooral zonder toekomst.

 

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

foto: Bas de Brouwer

 

 

 

Reageer >
 

Dit boek ken je niet en is geweldig

8 november 2019 (10:18) | Menno Hartman | Geen reacties

Er-stroomt-een-rivier-doorheen-637x1024Vorig jaar in juli stond ik in Powell’s Bookshop in Portland, Oregon. Van Amerikaanse boekwinkels word je buitengemeen vrolijk. Vanwege het feit dat dat er in zo’n staat – maatje Frankrijk – vast heel weinig boekhandels zijn, is wat er wél is ook fantastisch. Verdieping op verdieping, en bij literatuur vond ik alles wat ik wilde zien en in handen houden. Buiten een van de hipste steden in Amerika, daar weer buiten, veel en wilde natuur.

Ik zocht een paar mooie drukken van Norman Macleans A River Runs Through it, over wilde natuur gesproken. Drie steengoede lange verhalen die hoogleraar literatuur Maclean op zijn 70e schreef, hij debuteerde ermee. Ze spelen langs een rivier bij het vliegvissen, in bosbouwkampementen en bij de brandbestrijding, alle in Montana.

Ik ben heel blij dat wij dit boek – in een vertaling van Dirk-Jan Arensman – nu hebben uitgegeven. Het prachtige omslag is ontworpen (en getekend) door Lotte Dirks. ‘In gelijke mate een vissershandboek, een literair meesterwerk en spirituele gids’ – The New York Times hebben we op de achterflap gezet, want zo is het. En we namen een begeleidend essay van Paolo Cognetti op, vertaald door Patty Krone en Yond Boeke.

Een wijs en rijk boek.  Ik raad je van harte aan het een kans te geven.

 

 

IMG_6285

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot. En vindt dat op dit blog hij heel soms schaamteloos reclame mag maken voor boeken van Van Oorschot.

 

Reageer >
 

Te paard

6 november 2019 (9:47) | Gilles van der Loo | Geen reacties

22215276-0407-4a78-a33c-491e735977a2Het was Nadims verjaardag en op verjaardagen van kinderen brengen ouders offers.

De hobby’s van mijn zoon waar ik niets mee heb raken me het meest omdat daarin zijn persoon te zien is: ik leer hem kennen als hij onaangestuurde keuzes maakt.

Nadim wilde met ons paardrijden en dus gingen we. Nu heb ik hier al eens uitgeweid over mijn gevoelens voor paarden en het onzalige idee op die dingen te gaan zitten. Een wezen met de schichtigheid van een konijn en het gewicht van een orka is per definitie een slecht wezen om te berijden.

Mijn hekel begon op jonge leeftijd, bij een pony die Diamond heette en die de kunst verstond kinderen met een ferme ruk van de kop (niet het hoofd, nooit het hoofd. Ze hebben ook geen benen, maar poten) in het manege-zand te slingeren. Diamond zette voor mij altijd een tandje bij door vervolgens een zegeronde door de bak te draven met mijn zesjarige zelf schreeuwend langszij.

‘Lóslaten die teugels,’ riepen alle moeders van de kant. Maar ik liet níks los. Ze konden de tering krijgen. Toen het stof voor de achtste keer in één week was neergedaald en mijn tranen en snot waren weggeveegd, gaf ik er de brui aan.

Een paar jaar geleden zat ik nog eens op een knol, die er met me vandoor draafde in een bos vol laaghangende takken. Mijn schoonzus vertelt dit verhaal graag omdat het de enige keer is dat ze ooit paniek in mijn ogen zag.

Nadim wilde dus paardrijden, mijn schoonzus ging ook mee. Ik zou me niet laten kisten.

Ik kreeg een trage knol en het lukte te blijven zitten. We reden naar zee en draafden langs de vloedlijn. Het was machtig mooi en mijn zoontje straalde. Af en toe reed ik met mijn schoonzus op en maakte het gebaar dat we liefdevol voor elkaar reserveren. Een soort omgekeerde vuist waarvan de middelvinger opgestoken is.

Het moment om te galopperen liet ik voorbijgaan, maar ik kreeg spijt toen ik mijn familie zag gáán op die beesten. Sommige waren gevlekt als mustangs, wat samen met de aanwezigheid van zeewater mijn hele orka-ding op een andere plek deed vallen. We reden weer naar de stal en ik stapte meurend naar paardenzweet af.

In de auto terug naar huis was mijn schoonzus stil. Ik groette tegenliggers en liet andere weggebruikers voorgaan, onderwijl prettige gedachten denkend. Na een tijdje zocht ik het gezichtje van mijn jongen in de achteruitkijkspiegel.

‘Vond je het mooi, man?’

‘Het was gewéldig,’ zei hij, nagloeiend van de rit.

‘Ja,’ zei ik. Misschien was het tijd om Diamond te vergeven. ‘Dat was het.’

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Meester van het heelal

4 november 2019 (8:54) | Berthe Spoelstra | Geen reacties

11 volle maan (1)

Laurent Binet zei in een interview dat hij de wereld wilde lezen als een boek.

Hij schreef De zevende functie van taal, een detectiveroman over taalwetenschapper Roland Barthes, die op 25 februari 1980 in Parijs overhoop werd gereden door een bestelbusje. In het magische universum van Binet blijkt dit moord. En hoe meer doden er vallen, hoe duidelijker het wordt dat Barthes een zevende functie van taal heeft ontdekt.

De theorie van de zes functies van taal is afkomstig van Roman Jakobson, maar Binet laat Barthes vlak voor zijn dood een zevende functie vinden. De precieze inhoud van deze zelfverzonnen functie onthult Binet niet. Hij suggereert alleen dat het een krachtige toverformule is die aanzet tot daden. Wanneer woorden en daden hetzelfde kunnen zijn, heeft degene die over dergelijke woorden beschikt ongekende macht, dat is het uitgangspunt. Dus proberen politici en malafide linguïsten Barthes’ document in handen te krijgen, want ‘wie de taal beheerst is meester van het heelal’.

Maar ik las ook iets anders. Niet alleen de taal is oppermachtig in dit boek. Ik kreeg de indruk dat de geheime formule veel breder is. Binet laat zijn personages namelijk niet alleen de taal interpreteren, maar ook al het andere. Juist wat niet gezegd is, wordt ‘gelezen’. Ook wat niet bedoeld is, wordt geïnterpreteerd. Dat besef voelde als een klompje goud. Ik lag er wakker van.

Ook ik lees de wereld als een boek, nee als een theaterstuk. En in het theater zijn juist de non-verbale tekens oppermachtig. Dat wat achter de woorden wordt verborgen, daarin schuilt de kracht. Om betekenis te kunnen ‘lezen’ kan, mag, moet ieder detail worden geïnterpreteerd. Natuurlijk zit ik er in het echte leven heel vaak naast. Maar de poging tot interpretatie is voor mij het leven zelf. Voor mijn geliefde is dit af en toe best lastig, dat geef ik toe. Veel mensen bedoelen namelijk met veel dingen helemaal niks. Die dingen zouden niet moeten worden geïnterpreteerd, die zijn er gewoon.

Of niet?

De klok moest worden teruggezet. Precies om drie uur stond ik in een slapend huis, een stille straat, een zwijgend universum en gaf mezelf een extra uur. De wereld lezen als een boek, ja ja. Ik nam een slok water en kroop terug in bed.

Telkens opnieuw beet ik mijzelf in halfslaap in mijn staart. Binet suggereert dat de zevende functie van taal op de grens van de poëtische en de appelatieve functie ligt. Dus dat is zoiets als een fraai geformuleerd bevel. Was dat nou zo verontrustend? Waar was mijn klompje goud?

Stel, de échte macht zit in alle functies samen, het idee dat alles opgeteld moet zijn. En niet alleen de woorden lezen, maar ook de zuchten, de wapperende handen, de kleur van iemands onderbroek. Dat is macht. De meester leest alles wat bedoeld én onbedoeld is en beheerst dat omgekeerd zelf ook, overgoten met een saus van poëzie en overredingskracht.

Best vermoeiend allemaal.

Nog voor het extra uur voorbij was viel ik in een diepe slaap.

foto: Bas de Brouwer

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

 

 

 

Reageer >
 

Die leeftijd

29 oktober 2019 (22:58) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_2770Het huis in Normandië waar we de afgelopen vakantie voor de tweede keer waren maakt deel uit van een klein boerendorp dat doorsneden wordt door een smalle landweg.

Vanaf het huis is het een minuutje lopen naar een weiland waar een zoet paard en een bejaarde ezel staan. Vorig jaar sloot Nadim vriendschap met de beide hoefdieren en hij was niet bij hun graslandje weg te slaan. In de aanloop naar deze vakantie had onze jongen het veel over zijn vrienden.

In de auto, op de heenweg, was Nadim gespannen. Hij hoopte vurig dat het paard en de ezel er nog zouden zijn. Het eerste wat hij bij aankomst deed was met zijn oma naar de dieren gaan. Ik laadde koffers uit en hield mijn hart vast. Tenslotte was dit boerenland, en nutteloze dieren werden hier als nutteloos gezien.

Na een minuut of tien klonken zijn laarzen op het grind.

‘Pap! Mam! Ze zijn er nog. Zwartje en Anubis, en ze herkenden me meteen.’

Zo gauw ik kon ging ik met hem mee om naar de vrienden te kijken, en inderdaad: ze liepen met hem op, drukten hun grote neuzen tegen dat dunne lijf onder die donsjas. Een paar keer per dag zou hij met appels op bezoek gaan.

De laatste dag kwam zoals laatste dagen komen, en voor we naar die lange snelweg terugkeerden, gingen we nog even langs.

Nadim was stil, bedrukt. Ik maakte een foto van de vrienden, laadde mijn jongen weer in. Na een paar meter begon het snikken achter me.

B. vroeg wat er was en Nadim antwoordde dat hij het zo erg vond niet zeker te weten of hij zijn vrienden nog zou zien.

De boer had ons verteld dat het paard negen was, de ezel drieëntwintig. Een van onze katten is onlangs overleden.

Hoewel hij eindigheid als concept al begreep, leek eindigheid als emotioneel verlies, als onomkeerbaar missen tot die dag niet tot Nadim doorgedrongen.

Bij thuiskomst liet het hem niet los. Hij riep ons bij zich in zijn bed en kon niet ophouden met huilen.

‘Je zult het zien,’ zeiden we. ‘Volgend jaar zijn ze er nog.’ Daarna zeiden we: ‘Maar als dat niet zo is dan hoort dat er ook bij. Je moet bedenken hoe fijn het is dat je ze hebt leren kennen.’

Het was geen leugen, maar we wisten wel hoe weinig het zou helpen als die dag er kwam. Wij kenden het verlies al, wilden er niet over liegen, maar moesten toch íéts zeggen omdat we zijn ouders zijn. Ouders moeten overal iets op te zeggen hebben.

Wij zijn de wereld en die wereld klopt.

Wanneer stoppen we met antwoord hebben? Wanneer kunnen we ons kind als gelijke zien en samen zwijgen omdat er geen antwoord ís?

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Discorderen en coöpponeren

28 oktober 2019 (14:51) | Berthe Spoelstra | 2 reacties

10 Yeats (1)‘Waarom moet er altijd iemand dood?’ vraagt Leonard in de film The Hours (2002, regie Stephen Daldry, script David Hare). In jouw boeken, bedoelt hij. Virginia Woolf antwoordt: ‘Someone has to die in order that the rest of us should value life more. It’s contrast’.

William Butler Yeats schreef deze prachtige zin in Per Amica Silentia Lunae (1918, p29):

We make out of the quarrel with others, rhetoric,

but of the quarrel with ourselves, poetry

Yeats zou volgens Prof. Dr. Hedwig Schwall zelfs ooit gezegd hebben: ‘Conflict! We hebben nood aan conflict!’ Met die woorden zou hij vooral zijn verhouding met een veel jongere vrouw hebben willen rechtvaardigen, maar daar gaat het nu even niet om.

De Ierse Yeats (1865-1939) produceerde retorica uit onenigheid met anderen. Hij zette zijn schrijven nadrukkelijk in om zijn land te helpen bevrijden van de Britse overheersing. Maar toen er een dode viel bij een verzet dat mede door hem werd georganiseerd, trok hij zich terug. Onenigheid mocht wat hem betreft niet leiden tot een fysiek conflict. Dan liever een teruggetrokken bestaan vol eenzame gewetensnood, maar met poëzie. Wat zou Yeats van de huidige Ierse backstop hebben gevonden? Maar ook daar gaat het nu even niet over.

Of misschien wel. Polarisatie, daar ging mijn gedachte over. Het is moeilijk om het op een wellevende manier met elkaar oneens te zijn. In het Britse Lagerhuis doen ze een dappere poging. Ik heb wel eens gedacht dat in Nederland de nuance uit de (politieke) retoriek is gesloopt sinds de slogan ‘Normaal Doen’. We hebben taal nodig om het met elkaar oneens te zijn. Ligt er taalkundig nog iets tussen ‘normaal’ en ‘niet normaal’?

Terwijl ik door Yeats’ werk blader bedenk ik me dat destijds niet de strijd minder fel was, maar misschien waren wel de woorden zachter en zoekender. Heeft inmiddels het woord ‘conflict’ simpelweg de plaats ingenomen van het woord ‘contrast’? Dan slaan we gewoon de aanloopfase van een conflict over. Dan is een contrast of onenigheid meteen een conflict, meteen vlam in de pan. Wat we niet kunnen benoemen, bestaat niet.

Kunnen we uit onenigheid weer retorica, nee poëzie maken? Het lijkt me een goede tijd om woorden als ‘twisten’ en ‘discorderen’ te herwaarderen. Of we verzinnen nieuwe woorden voor het actief en constructief uitwisselen van verschillen. Copolariseren? Tegenhangen, tweedrachten, coöpponeren? Mijn spellingscontrole slaat meteen op hol. Jammer.

Suggesties welkom.

 

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

foto: Bas de Brouwer

2 reacties >
 

Een extreem tevreden hond

23 oktober 2019 (9:26) | Gilles van der Loo | Geen reacties

0b6056ee-210c-4d25-907f-ab497ca8b2dbMet flink wat familie zijn we in Normandië, en mijn enige leesvoer is een mooie editie van de korte verhalen van Hemingway. Ik heb niets anders te lezen omdat de meneer van de telefoonwinkel op de Haarlemmerstraat mijn ereader nét niet op tijd gerepareerd kreeg.

Elizabeth Strout heeft een nieuw boek over Olive Kitteridge uit, maar zoals ik al zei: technische problemen.

Andere technische problemen zorgen ervoor dat ik dit blog in Word tik om het later, bij het minste flikkerende flardje netwerk online te kunnen zetten. Mijn werktelefoon staat doorgeschakeld naar mijn mobiel, die nooit overgaat vanwege datzelfde gebrek aan netwerk. Ik zou vloeken als falende techniek niet zo voorspelbaar was.

Louis C.K. zei over vliegen: ‘We whine when our flight is delayed by half an hour, but we get to be in a chair moving through the air. What’s half an hour, when you can fly?’

Niet aan mij om te besluiten, maar kunnen we Louis C.K. gratie verlenen? In mijn jeugd wist iedereen wie de vieze man in de straat was; bij hem mocht je ongestraft belletje trekken en hondenkak over de schutting gooien, maar verbannen werd hij niet. Als er op je neergekeken wordt, word je nog steeds gezien.

Ik hoor dat Louis weer stand up doet. Wat een lef. We kunnen die man ten goede gebruiken, écht.

Gisteren groef Otis de Hond een kuil op het strand. Omdat er geen reden was om door te lopen kregen we te zien hoe diep hij gaan kan.

Na een kwartiertje tilden we een extreem tevreden hond terug het daglicht in.

Tevreden lijken ook mijn huisgenoten, al slaapt vrijwel niemand goed vanwege hun of andermans leeftijd, onrustige honden of de kwaliteit van de matrassen hier. Over uitrusten op een vakantie met kinderen maak ik me ook geen illusies meer.

Vakantie is tegenwoordig weinig anders dan een periode waarin de leden van mijn gezin tegelijkertijd vrij zijn.

Servigny is niet het mooiste dorp van Frankrijk, maar het heeft een stokoud kerkje van gestapeld steen en een aantal even oude huizen. Het ligt op een heuvel met grasland rondom; de aanhoudende westenwind draagt zeezout aan.

Door de uitstraling van de nabije zee is het licht soms pijnlijk fel, wat het moeilijk maakt je ochtendwrevel vast te houden. Maar dat geldt pas als de zon op is, en zoals je misschien geraden hebt, duurt dat nog wel even.

Van Hemingway heb ik nog geen bladzijde gelezen.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Omdat het mooi herfstweer was

21 oktober 2019 (16:18) | Berthe Spoelstra | Geen reacties

All-focusbesloot ik een wandeling te maken. Een van mijn favoriete routes voert over een kerkhof.  Dit keer nam ik de buitenring, langs het crematorium via de strooilanen en het kinderhof. Achteraan is braakliggend terrein. Stapels stenen van geruimde graven liggen daar naast een tamelijk lelijke sloot. Het begon te regenen. Ik schuilde onder een enorme boom en dacht aan Virginia Woolf.

Dat kwam door die sloot, maar ook omdat ik de avond ervoor een Russische kunstenares tegen het lijf was gelopen die een poos werkte aan ‘bodily memory’. Ik begreep dat dit het fysiek zichtbaar maken van emotionele herinneringen is. Ten overstaan van het publiek werd een actrice in een soort trance gebracht, waarbij ze zich kon inleven hoe Virginia Woolf zich moet hebben gevoeld op het moment dat ze die koude, lelijke rivier in liep.

Zou een dergelijke inleving mogelijk zijn? Toen de film The Hours uitkwam (in 2002) vroeg Hermione Lee zich iets soortgelijks af: was Virginia Woolf niet veel te gecompliceerd om een film over te maken?

Lee is de biograaf van Woolf. Natuurlijk vindt zij dat alles gecompliceerder en genuanceerder is dan een film kan waarmaken. Fictie gaat ver buiten haar comfortzone. Zelf noemde ze het ‘de terughoudendheid van een biograaf om een ​​echt persoon te achtervolgen in het territorium van de fictie met verzonnen gedachten en uitspraken’. Ik zie meteen voor me: een getormenteerde Schrijver wordt achternagezeten door horzel-achtige Gedachten. Samen rennen ze over een sprookjesachtig kerkhof en spelen verstoppertje tot diep in het rijk der Fictie.

Maar Lee heeft wel een punt. Natuurlijk is Woolf te gecompliceerd om in te koken tot anderhalf uur. Ik vermoed dat de filmmakers ook geen allesomvattendheid pretendeerden. En natuurlijk is fictie niet hetzelfde als de werkelijkheid. Fictie interpreteert de werkelijkheid. Het vindt daar iets van.

Als ik het essay van Lee lees, denk ik: Nicole Kidman als Woolf iets horen zeggen is kennelijk heel anders dan deze woorden lezen. Woolf zien verdrinken is per definitie romantiseren. Want ineens is er een getuige en dat maakt de dood veel minder eenzaam.

Eigenlijk lijkt Hermione Lee zich af te vragen of fictie iets ’betrouwbaars’ kan zeggen over de werkelijkheid. En ze stelt meteen een tweede retorische vraag: ‘Can a few outstanding moments provide consolation against the long beat of “the hours”? Do writing (and reading) make life bearable?’ Beide vragen hebben vermoedelijk evenveel antwoorden als er mensen zijn.

Via seance-kunst, literatuur of film kunnen wij ons Virginia Woolf voorstellen. En dan kan ze zomaar opeens zeggen: ‘to look life in the face and to know it for what it is, to love it for what it is, and then to put it away.’ Daar hebben we dus fictie voor.

 

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

foto: Bas de Brouwer

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
 
Nr.474/475 Nr.476
 
 
voorpagina